Fournier slenterde naar Old Kent Road om naar een koffiehuis te gaan.
De Franschman scheen vele jaren ouder te zijn geworden. Het haar was
hem aan de slapen vergrijsd en als doelloos dwaalde zijn blik heen en
weer. Sinds het verlies, dat hij door den genialen boevenstreek van
Lord Lister had geleden, was het bij hem tot een idee fixe geworden, in
iederen voorbijganger den meesterdief te herkennen.
Hij was zoo langzamerhand reeds een stamgast in Scotland Yard geworden
en steeds kwam hij daar vragen, of men Raffles nog niet had ontdekt.
Hoezeer ook allen op het politie-bureau er tuk op waren den meesterdief
te arresteeren, zoo onaangenaam was hen ook het eeuwige vragen van den
kleinen Franschman en inspecteur Baxter had reeds een hevigen afkeer
tegen Fournier opgevat, wijl hij dat voortdurend vragen zonder eenig
resultaat als een persoonlijke beleediging opvatte.
Even voordat hij het café bereikte, ontmoetten Baxter en Fournier
elkander en uit het korte gesprek, dat zich thans ontspon, roerde de
inspecteur terloops den terugkeer van Van Brixen aan.
Enkele minuten later reeds scheidden de beide heeren en Fournier trad
het café binnen.
Nadat hij alle bezoekers met achterdochtigen blik had gemonsterd om te
zien of de Groote Onbekende er niet bij was, ging hij met bedroefd
gelaat in een hoek zitten en nam een krant op. Zijn gedachten dwaalden
echter steeds weer af en hij begreep geen woord van wat hij las.
Van Brixen was dus terug!
Dat hij hem, Fournier, daarvan geen kennis had gegeven, lag voor de
hand, want na de woordenwisseling op den ongelukkigen bruiloftsdag
hadden de vrienden elkaar niet terug gezien.
Wat echter zou Van Brixen er toe gebracht hebben, zoo plotseling terug
te keeren?—
Een gedachte schoot plotseling door Fournier’s brein.
Zou Van Brixen misschien een spoor van Raffles hebben ontdekt en daarom
zoo spoedig zijn teruggekomen?