Londen. Een straat.
Twee Gerechtsdienaars sleepen Vrouw Haastig en Doortje Scheurlaken
voort.
WAARDIN. Neen, jij aartsschelm; bij God, ik wilde, dat ik dood ging,
opdat ik je aan de galg bracht; je hebt mij den schouder uit het
lid getrokken.
EERSTE GERECHTSDIENAAR. De onderschouts hebben haar aan mij
overgeleverd en zij zal zweepkost genoeg krijgen, daar sta ik haar
voor in. Een man of twee zijn er laatst om haar doodgeslagen.
DOORTJE. Jij hapschaar, hapschaar, je liegt. Kom maar hier, ik zal je
wat vertellen, jij vervloekt kalfstrijp-schelmengezicht. Als het mis
loopt met het kind, waar ik van zwanger ga, dan was het nog beter
voor je, als jij je eigen moeder geslagen hadt, jij schurkachtige
papiertronie!
WAARDIN. O lieve God, was Sir John maar weer hier! Dat zou voor enkele
lui een bloedige dag worden. Maar ik bid God, dat het misloopt met
de vrucht van haar lijf.
EERSTE GERECHTSDIENAAR. Als dat gebeurt, zul jij je dozijn kussens weer
vol hebben, je hebt er nu nog maar elf. Komt, ik gelast je beiden, mee
te gaan; want de man is dood, dien jij met Pistool samen geslagen hebt.
DOORTJE. Ik zal je wat zeggen, jij dunne blikken kerel; je zult
hiervoor een behoorlijke vracht slaag krijgen,--jij leelijke blauwe
aasvlieg! jij smerige verhongerde rakker! als jij je pak slag niet
krijgt, wil ik nooit meer korte rokken dragen.
EERSTE GERECHTSDIENAAR. Kom, kom, jij straatjuffer, vooruit!
WAARDIN. O God, dat het recht zoo boven geweld gaat! Nu, na lijden
komt verblijden.
DOORTJE. Ja, kom, jij schoft! Kom, breng mij voor een rechter.
WAARDIN. Ja kom, jij uitgehongerde bloedhond!
DOORTJE. Baas Dood! baas Karkas!
WAARDIN. Jij Atomie, jij!
DOORTJE. Kom, jij puthaak, kom, scharminkel!
EERSTE GERECHTSDIENAAR. Genoeg, genoeg!
(Allen af.)