ZIELIG. Sacrement, dan zul je wel een paar pint er samen doorjagen;
niet waar, vriend Bardolf, is het niet zoo?
BARDOLF. Ja, heer, uit een driepintskroes.
ZIELIG. Godskristenzielen, daar dank ik voor; die schelm zal een
mensch niet loslaten, dat kan ik wel zeggen; hij houdt vast; hij is
van het echte ras.
BARDOLF. En ik zàl hem ook niet loslaten, heer.
ZIELIG. Kom, dat is spreken als een koning. Laat je niets ontbreken;
wees vroolijk.--(Er wordt geklopt.) Zie eens, wie er aan de deur
is.--Wat! wie klopt daar?
(David af.)
FALSTAFF. (tot Stil, die een beker ledigt). Zoo, nu hebt ge mij
bescheid gedaan.
STIL (zingt).
"Doe bescheid als een man
"Sla mij tot ridder dan;
"Samingo."
Is het zoo niet?
FALSTAFF. Het is zoo.
STIL. Is het zoo? Nu, zeg dan, dat een oud man ook wat kan.
(David komt terug.)
DAVID. Met verlof van uw edelheid, daar is een zekere Pistool, met
nieuws van het hof.
FALSTAFF. Van het hof? Laat hem binnenkomen.
(Pistool komt op.)
Wat is er, Pistool?
PISTOOL. Sir John, God zij met u!
FALSTAFF. Wat wind heeft je hier naar toe geblazen, Pistool?
PISTOOL. Geen slechte wind, die niemand voordeel brengt.--Mijn lieve
ridder, gij zijt nu een der gewichtigste mannen in het koninkrijk.
STIL. Bij onze lieve vrouwe, dat geloof ik ook, op baas Poef van
Barson na.
PISTOOL. Poef?
Poef voor uw kiezen, lage lafaard snood!--
Sir John, ik ben uw vriend en uw Pistool,
En rep je scheer je kom ik aangereden;
En tijding breng ik mee en blij geluk,
Een gouden tijd, en heilrijk nieuws van waarde.
FALSTAFF. Ik bid je dan, bericht het als een mensch van deze wereld.
PISTOOL. De wereld stikke, en lage wereldlingen!
Ik spreek van Afrika en gouden vreugd.
FALSTAFF. Meld, snood Assyrisch ridder, meld uw nieuws!
Koning Cophetua wil de waarheid weten.
STIL (zingt).
"Drie wakkre schutters hoorden dat;
"Robin Hood, Scharlaken en Hans."
PISTOOL. Zal hondgebroedsel Helicons hier trotsen?
En komt goed nieuws niet aan het woord?
Leg 't hoofd, Pistool, dan in der Furiën schoot!
STIL. Mijn eed'le heer, ik ken uw afkomst niet.
PISTOOL. Nu, weeklaag dan daarom.
ZIELIG. Neem mij niet kwalijk, heer;--maar,
heer, als gij met nieuws van het hof komt, dan
staan er, zooveel ik zie, slechts twee wegen
open: of gij deelt het meê, of gij houdt het
voor u. Ik ben, heer, onder den koning met
eenig gezag bekleed.
PISTOOL. Doch onder welken koning, hongerlijder?
Zeg dit of sterf!
ZIELIG. Onder koning Hendrik.
PISTOOL. Hendrik den vierden of vijfden?
ZIELIG. Hendrik den vierden.
PISTOOL. Stik dan in uw ambt!--
Sir John, uw teeder zuiglam is nu koning;
Hendrik de vijfde is baas. Ik spreek de waarheid;
Liegt uw Pistool, doe zóó dan; toon mij figo,
Zooals de trotsche Spanjaard.
FALSTAFF. Wat, wat! is de oude koning dood?
PISTOOL. Dood als een pier; wat ik u zeg, is waar.
FALSTAFF. Vlug, Bardolf! zadel mijn paard.--Heer Robert Zielig, kies
u uit, welk ambt in het land gij wilt, het is u. Pistool, ik zal je
dubbel laden met waardigheden.
BARDOLF. O vreugdevolle dag! zelfs voor een ridderslag gaf ik mijn
vooruitzichten niet prijs.
PISTOOL. Nu, breng ik geen goed nieuws?
(Stil valt van zijn stoel.)
FALSTAFF. Breng mijnheer Stil naar bed.--Heer Zielig, mylord
Zielig, wees wat ge wilt; ik ben de hofmeester van het geluk. Trek
uw laarzen aan, wij zullen de geheele nacht doorrijden.--O jij
suiker-Pistool!--Vlug, Bardolf! (Bardolf af.)--Kom, Pistool, vertel
mij meer, en bedenk tegelijk het een of ander, dat je goed zou
doen.--Laarzen, laarzen aan, heer Zielig; ik weet, dat de jonge koning
naar mij smacht. Laten wij de paarden nemen, waar wij ze vinden; de
wetten van Engeland staan mij ten bevele. Wel hun, die mijn vrienden
waren, en wee den lord opperrechter!
PISTOOL. Dat booze gieren hakken aan zijn long!
Waar is mijn vroeger leven heen, is 't lied.
Nu wordt het goed. Weest welkom, blijde dagen!
(Allen af.)