VIJFDE TOONEEL.

Een plein bij de Westminster-abdij.

Twee Hofbedienden komen op en strooien biezen.

EERSTE BEDIENDE. Meer biezen, meer biezen!

TWEEDE BEDIENDE. De trompetters hebben reeds twee keer geblazen.

EERSTE BEDIENDE. Het zal twee uur worden, eer zij van de kroning

komen. Haast je, haast je!

(Beiden af.)

(Falstaff, Zielig, Pistool, Bardolf en de Page komen op.)

FALSTAFF. Kom hier naast mij staan, heer Robert Zielig; ik zal

zorgen, dat de koning u recht genadig is. Ik zal hem toelonken, als

hij langs komt, en let dan maar op, welk een gezicht hij zal zetten,

als hij mij ziet.

PISTOOL. God zegene uw longen, goede ridder!

FALSTAFF. Kom hier, Pistool, ga achter mij staan.--(Tot Zielig.) O,

als ik maar tijd had gehad om nieuwe livreien te laten maken, dan had

ik de duizend pond er aan besteed, die ik van u geleend heb. Maar

het doet er niet toe; die armoedige plunje is beter; het toont den

ijver aan, dien ik had om hem te zien.

ZIELIG. Dat doet het.

FALSTAFF. Het toont de innigheid van mijn toewijding.

ZIELIG. Dat doet het.

FALSTAFF. Mijn diepe hulde.

ZIELIG. Dat doet het, dat doet het, dat doet het.

FALSTAFF. Alsof ik dag en nacht had doorgereden, zonder overwegen,

zonder bedenken, zonder mij tijd te gunnen om mij te verkleeden,--

ZIELIG. Ja, zeer zeker.

FALSTAFF. En daar sta ik dan, bespat van de reis, en zweetend van

begeerte om hem te zien, aan niets anders denkend, alle andere zaken

vergetend, alsof er niets anders te doen ware dan hem te zien.

PISTOOL. 't Is "semper idem", want "absque hoc nihil est."

't Is alles overal.

ZIELIG. 't Is zoo, inderdaad.

PISTOOL. Ik wil uw eed'le gal ontvlammen, ridder,

U woeden doen.

Uw Doortje, Helena uws hoogen geestes,

Is in gemeene hecht'nis weggesleept

Naar 't vunzig kerkerkot,

Door vuile handen van het laagst gespuis;--

Wek op de wraak uit zwarte krocht met felle Alecto's slang;

Want Doortje zit; Pistool spreekt altijd waar.

FALSTAFF. Ik zal haar bevrijden.

(Jubelgeroep en trompetgeschal achter het tooneel.)

PISTOOL. Daar brult de zee en dreunt trompetgeschal.

(De Koning komt op, met zijn Gevolg, waaronder de Opperrechter.)

FALSTAFF. Heil, koning Hein! mijn koninklijke Hein!

PISTOOL. De hemel helpe en hoede u, hooge spruit des roems!

FALSTAFF. God zij met u, mijn beste jongen!

KONING. Spreek tot dien ijd'len man, lord opperrechter!

OPPERRECHTER. Zijt gij bij zinnen? weet gij, wat gij zegt?

FALSTAFF. Mijn vorst; mijn Jupiter! mijn hart, u groet ik.

KONING. Oud man, ik ken u niet, aan uw gebed!

Hoe slecht staat grijsheid aan een nar en zotskap!

Ik droomde lang van zulk een soort van man,

Zoo opgezet van 't slempen, oud, losbandig;

Doch nu, ontwaakt, veracht ik mijnen droom.

Verminder 't lijf voortaan, vermeêr uw deugd,

Laat af van brassen, denk steeds, dat voor u

't Graf driemaal wijder dan voor andren gaapt.

Geef mij geen antwoord met een narrenkwinkslag;

En waan niet, dat ik ben, wat ik eens was!

De hemel weet, en zien zal 't nu de wereld,

Dat ik den rug keerde aan mijn vroeger ik,

En 't hun zal doen, die eertijds met mij waren.

Verneemt gij, dat ik ben wat ik toen was,

Kom dan tot mij en word weer wat gij waart,

De gids en voeder van mijn dart'len lust.

Tot zoolang ban ik u, op straf des doods,

En zoo mijn oov'rige verleiders ook,

Tien mijlen ver van mijn persoon en hof.

Wat onderhoud betreft, dit zult ge ontvangen,

Opdat gebrek u niet tot kwaaddoen drijv';

En zoo wij hooren, dat gij u bekeert,

Dan willen wij, naar uwe kracht en gaven,

Uw lot verbeet'ren.--Draag gij zorg, mylord,

Dat wat ik zeide stipt gehoorzaamd word'.--

Nu voorwaarts!

(De Koning met zijn Gevolg af.)

FALSTAFF. Mijnheer Zielig, ik ben u duizend pond schuldig.

ZIELIG. Ja, juist, Sir John; en ik verzoek u, mij die mede naar huis

te geven.

FALSTAFF. Dat zal moeielijk gaan, mijnheer Zielig. Trek u dit niet aan;

ik zal in 't geheim bij hem ontboden worden. Ziet gij, voor de wereld

moet hij zich wel zoo houden. Wees niet ongerust over uw bevordering;

ik ben en blijf de man, die u groot zal maken.

ZIELIG. Ik zie niet in, hoe, of gij moest mij uw wambuis aandoen en

mij met stroo opstoppen. Ik bid u, beste Sir John, geef mij vijfhonderd

van mijn duizend.

FALSTAFF. Heer, ik zal zoo goed als mijn woord zijn; wat gij daar

gehoord hebt, was maar voor den schijn.

ZIELIG. Een schijn, vrees ik, waar gij u tot uw dood aan zult vergapen,

Sir John.

FALSTAFF. Laat u niet door den schijn bedriegen; ga met mij eten. Kom,

luitenant Pistool;--kom Bardolf;--ik zal van avond spoedig ontboden

worden.

(Prins John, de Opperrechter, Officieren en Anderen komen terug.)

OPPERRECHTER. Gaat, voert mij Sir John Falstaff weg in hecht'nis,

En neemt zijn metgezellen allen meê.

Koning Hendrik de Vierde · 第 75 / 79 题