DERDE TOONEEL.

Glostershire. De tuin bij Zieligs huis.

Falstaff, Zielig, Stil, Bardolf, de Page en David komen op.

ZIELIG. Neen, gij moet mijn tuin zien; daar willen wij in een prieel

een pippeling van 't vorig jaar gebruiken, dien ikzelf geënt heb,

met een schotel anijskoeken, en zoo voorts;--kom, neef Stil;--en dan

naar bed.

FALSTAFF. Bij God, gij hebt hier een schoone woning, en rijk ook.

ZIELIG. Mager, mager, mager; altemaal bedelaars, altemaal bedelaars,

Sir John;--goede lucht, ja, dat is waar.--Dekken, David; dekken,

David; goed zoo, David.

FALSTAFF. Die David is u goed van dienst; hij is uw tafeldienaar en

uw bouwman.

ZIELIG. Een goede knecht, een goede knecht, een zeer goede knecht, Sir

John;--sacrement, ik heb te veel sek gedronken bij het avondeten;--een

goede knecht. Komt, gaat zitten, gaat zitten,--Kom, neef.

Koning Hendrik de Vierde · 第 70 / 79 题