Glostershire. De tuin bij Zieligs huis.
Falstaff, Zielig, Stil, Bardolf, de Page en David komen op.
ZIELIG. Neen, gij moet mijn tuin zien; daar willen wij in een prieel
een pippeling van 't vorig jaar gebruiken, dien ikzelf geënt heb,
met een schotel anijskoeken, en zoo voorts;--kom, neef Stil;--en dan
naar bed.
FALSTAFF. Bij God, gij hebt hier een schoone woning, en rijk ook.
ZIELIG. Mager, mager, mager; altemaal bedelaars, altemaal bedelaars,
Sir John;--goede lucht, ja, dat is waar.--Dekken, David; dekken,
David; goed zoo, David.
FALSTAFF. Die David is u goed van dienst; hij is uw tafeldienaar en
uw bouwman.
ZIELIG. Een goede knecht, een goede knecht, een zeer goede knecht, Sir
John;--sacrement, ik heb te veel sek gedronken bij het avondeten;--een
goede knecht. Komt, gaat zitten, gaat zitten,--Kom, neef.