(Hij zingt.)
"Niets doen dan eten en smullen voorwaar,
"En den hemel loven voor 't vroolijke jaar,
"Want vleesch is te geef, en een wijf dure waar,
"En jolige knapen, zij gaan hier en daar,
"Zoo lustig,
"En zwerven te zamen zoo lustig."
FALSTAFF. Dat noem ik een vroolijke ziel!--Beste heer Stil, hier,
op uw welzijn er voor.
ZIELIG. Geef vriend Bardolf wijn, David.
DAVID (tot Bardolf). Beste vriend, ga zitten; ik ben dadelijk weer bij
je;--allerbeste vriend, ga zitten.--Vriend page, beste vriend page,
ga zitten; proficiat! Wat wij aan eten te kort komen, zullen wij met
drinken goed maken. Maar je moet het voor lief nemen; de goede wil
is alles.
(David af.)
ZIELIG. Wees lustig, vriend Bardolf,--en gij daar, mijn kleine soldaat,
wees lustig.
STIL (zingt).
"Weest lustig, weest lustig, mijn wijf is van huis;
"Want spichtig of dik, eene vrouw is een kruis;
"Slechts baarden in huis geeft een vroolijke kluis!
"En welkom, vastenavondpret!
"Weest lustig, weest lustig, mijn wijf is van huis."
FALSTAFF. Ik had niet gedacht, dat er zoo veel vuur in mijnheer
Stil zat.
STIL. Wie? Ik? Ik ben al wel eens en nog wel eens lustig geweest van
mijn leven.
(David komt terug.)
DAVID (een schotel voor Bardolf nederzettend). Daar is een schotel
grauwe renetten voor je.
ZIELIG. David!