TWEEDE TOONEEL.

Westminster. Een zaal in het paleis.

Warwick en de Lord Opperrechter komen op.

WARWICK. Hoe is 't lord opperrechter, en waarheen?

OPPERRECHTER. Hoe gaat het met den koning?

WARWICK. Uitnemend goed;--zijn zorgen zijn ten eind.

OPPERRECHTER. Wat! toch niet dood?

WARWICK. Hij ging den weg van allen,

En leeft voor de aard en ons belang niet meer.

OPPERRECHTER. O, hadd' zijn majesteit mij meegeroepen;

Mijn dienst, hem bij zijn leven trouw gewijd,

Doet na zijn dood mij bitt're krenking wachten.

WARWICK. Ja, deze koning zal uw vriend niet zijn.

OPPERRECHTER. Neen, zeker zal hij 't niet, en 'k wapen mij

Om kalm de toekomst in 't gelaat te zien,

Die zeker mij niet boozer aan kan blikken,

Dan mijn verbeelding 't mij heeft afgemaald.

(Prins John, Prins Humphrey, Clarence, Westmoreland en Anderen

komen op.)

WARWICK. Daar komt het treurend kroost des dooden Hendriks;

O, dat zijn levende genant den aard

Des slechtsten van dit drietal prinsen had!

Hoe menig eed'le zou zijn ambt behouden,

Die 't zeil voor mind're geesten strijken zal!

OPPERRECHTER. O God, ik ducht den ommekeer van alles.

PRINS JOHN. Neef Warwick, goeden morgen, goeden morgen!

PRINS HUMPHREY EN CLARENCE. Neef, goeden morgen!

PRINS JOHN. Wij staan als mannen, die de spraak verleerden.

WARWICK. De spraak is ons, doch al te treurig is

Ons onderwerp, om veel gesprek te dulden.

PRINS JOHN. Nu, hèm zij vrede, die ons treuren doet!

OPPERRECHTER. En ons die vreê, dat wij niet dieper treuren!

PRINS HUMPHREY. O beste lord, ja, gij verloort een vriend;

En 'k zweer er op, geborgd is dit gelaat

Van diepe droef'nis niet; 't is wis uw eigen.

PRINS JOHN. Schoon niemand weet, wat gunst hem zal bestralen,

Mag uw verwachting felle koude zijn.

En 't maakt mijn droef'nis dieper; 'k wenschte 't anders.

CLARENCE. Ja, wis, gij moogt nu Sir John Falstaff vleien;

Wat indruischt tegen de' eedlen stroom uws ambts.

OPPERRECHTER. Mijn prinsen, wat ik deed, deed ik in eere,

Naar 't onpartijdig richtsnoer van mijn ziel;

Mij ziet gij nimmer beed'len om vergiff'nis;

Armzalige aalmoes, mij vooruit ontzegd!

Helpt mij rechtschapenheid en onschuld niet,

Dan volg ik mijnen dooden heer en koning,

En meld hem, wie mij zond, hem achterna.

WARWICK. Daar komt de prins.

(Koning Hendrik de Vijfde komt op, met Gevolg.)

OPPERRECHTER. Wees welkom! God behoede uw majesteit!

KONING. Dit nieuwe pronkgewaad, de majesteit,

Zit mij niet zoo gemakk'lijk als gij waant.--

Broeders, gij mengt in 't treuren een'ge vrees;

Maar dit is 't Engelsch, niet het Turksche hof;

Hier volgt niet Amurath op Amurath,--

Op Hendrik Hendrik. Toch, mijn broeders, treurt,--

Want dit, moet ik verklaren, staat u goed;

Zoo koninklijk staat u die diepe smart,

Dat ik recht diep in rouw mij kleeden wil

En dien in 't harte dragen. Treurt dus vrij;

Doch tilt dit wee niet zwaarder, lieve broeders,

Dan als een last, ons allen opgelegd.

Wat mij betreft, bij God, weest overtuigd:

Ik wil uw vader zijn en broeder tevens!

Schenkt mij uw liefde en ik neem uwe zorgen.

Weent vrij, dat Hendrik stierf,--ik doe het ook;

Doch Hendrik leeft, die elk van uwe tranen

Verand'ren zal in zooveel uren heils.

PRINS JOHN. Dit hopen wij van uwe majesteit.

KONING. Gij allen ziet bevreemd mij aan;--(Tot den Opperrechter.) gij

't meest,

Als overtuigd, dat ik uw vriend niet ben.

OPPERRECHTER. 'k Ben overtuigd, dat, als hij juist mij meet,

Mijn koning geenen grond tot haten heeft.

KONING. Niet?

Hoe zou een prins, den troon zoo na als ik,

Een smaad, als gij mij aandeedt, ooit vergeten?

Wat! Englands naasten erfgenaam te wraken,

Te smaden, ruw te kerk'ren! Was dit niets?

Wie wascht dit af in Lethe, en vergeet het?

OPPERRECHTER. Toen was ik plaatsvervanger van uw vader,

De drager, 't zichtbaar beeld van zijne macht;

En onderwijl ik als zijn rechtsbedeeler

Mijn plicht voor 't algemeene welzijn deed,

Geliefde uw hoogheid alles te vergeten,

Mijn ambt, de macht en majesteit des rechts,

Het beeld des konings, dien ik daar verving,

En op mijn rechterszetel mij te slaan;

Waarop ik u, die uwen vader smaaddet,

Stoutweg, maar naar de volle macht mijns ambts,

In hecht'nis nam. Was dit verkeerd gehandeld,

Duld gij dan, nu gijzelf den haarband draagt,

Dat uwe wetten eens een zoon verguist,

Het recht van uw hoogachtb'ren zetel rukt,

Den loop der wet verlamt, en 't zwaard verstompt,

Dat vrede en uwe veiligheid behoedt;

Ja meer, uw vorstenbeeld met voeten treedt,

En in een ander uw gezag bespot.

Raadpleeg uw koningshart,--'t zij uw geval,--

Wees gij de vader, denk u zulk een zoon,

Hoor zoo uw eigen waardigheid, geschonnen,

Zie zoo uw hoog en streng verbod veracht,

Aanschouw uzelf zoo door een zoon gehoond;

En stel u voor, ik treed dan voor u op,

En brenge zacht voor u dien zoon tot zwijgen;

Hebt gij dit koel gewogen, spreek dan recht,

En zeg, zoo waar gij koning zijt, als heerscher,

Wàt ik gedaan heb, strijdig met mijn ambt,

Mijn eigen eer, mijns konings opperhoogheid.

KONING. Recht hebt gij, rechter; en gij weegt dit juist;

Voer gij voortaan de weegschaal dus en 't zwaard;

En 'k wensch u toe, dat gij in eere wast,

Tot gij 't beleeft, dat u een zoon van mij

Beleedigt, en u dan, als ik, gehoorzaamt;

Dan zal ook ik mijns vaders woorden spreken:

"Gelukkig ik! Ik heb een koenen man,

Die recht durft oef'nen aan mijn eigen zoon!

Niet min gelukkig ben ik in dien zoon,

Die van zijn grootheid in de hand des rechts

Zoo afstand doet."--Gij gaaft mij kerkerstraf;

En daarom geef ik thans in uwe hand

Het onbevlekte zwaard, door u gevoerd,

Met dit vermaan, dat gij het voeren zult,

Zoo koen, gerecht van geest en onpartijdig,

Als toenmaals jegens mij.--Hier is mijn hand;

Gij zult een vader wezen voor mijn jeugd;

Mijn mond zal spreken, wat mijn oor u afhoort;

En buigen wil ik mijnen zin, en voegen

Naar uwen weldoordachten, wijzen raad.--

Gij allen, prinsen, 'k bid u, acht dit waar:

Wild is mijn vader in zijn graf gegaan,

Want in zijn groeve daalden mijne driften;

En 'k overleef hem ernstig, met zijn geest,

Om dwaas te maken, wat de wereld wacht,

Profeten te beschamen, en de meening,

Die, voos, alleen naar mijnen schijn, mij boekte,

Te niet te doen. De vloed des bloeds in mij

Verhief zich stout en trotsch in ijdelheid;

Nu keert zijn tij; hij ebt naar zee terug,

Waar hij zich met der golven rijk zal mengen,

Steeds vlieten zal in kalme majesteit.

Thans roepen wij ons parlement op, kiezen

Ons zulke leden voor onze' eed'len raad,

Dat onzes staats groot lichaam bij geen enkel

Der best bestuurde volken achtersta;

Dat krijg en vrede, of beide tegelijk,

Bekende, ons welvertrouwde zaken zijn;--

Waarin gij (Tot den Opperrechter.), vader, de eerste hand zult

hebben.--

Zijn wij gekroond, dan,--nogmaals zij 't gezegd,--

Verzaam'len wij om ons den ganschen staat;

En, zoo slechts God mijn vromen wil bezegelt,

Zal prins noch pair met grond den hemel vragen:

God korte één dag van Hendriks blijde dagen.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Vierde · 第 69 / 79 题