Glostershire. Een vertrek in het huis van Zielig.
Zielig, Falstaff, Bardolf en de Page komen op.
ZIELIG. Bij kris en kras, heer, gij zult van avond niet weg. Hé,
David, zeg ik.
FALSTAFF. Gij moet mij ontschuldigen, heer Robert Zielig.
ZIELIG. Ik wil u niet ontschuldigen; gij zult niet ontschuldigd worden;
ontschuldigingen worden niet aangenomen; geen ontschuldiging helpt u;
gij zult niet ontschuldigd worden.--Kom toch, David!
(David komt op.)
DAVID. Hier ben ik, heer.
ZIELIG. David, David, David,--laat zien, David, laat eens zien;
ja,--'t is waar ook, Willem, de kok, die moet hier komen.--Sir John,
gij zult niet ontschuldigd worden.
DAVID. 't Is waar ook, heer, die dagvaardingen zijn niet in den
haak. En nog iets, heer, moeten wij het voorland met tarwe bezaaien?
ZIELIG. Met roode weit, David.--Maar van Willem den kok
gesproken:--zijn er geen jonge duiven?
DAVID. Ja zeker, heer.--Hier is de rekening van den smid, van beslaan
en van ploegijzers.
ZIELIG. Laat die narekenen en betaal ze.--Sir John, gij zult niet
ontschuldigd worden.
DAVID. En dan, heer, moet er ook een nieuwe ketting wezen voor den
emmer;--en, heer, wilt gij Willem ook wat van zijn loon aftrekken,
voor den zak, dien hij laatst op de markt te Hinckley verloren heeft?
ZIELIG. Hij moet dien vergoeden.--Wat duiven, David, een paar
kortpootige kippen, een schapebout en nog wat aardige kleine
versnaperingen; zeg dat aan Willem den kok.
DAVID. Blijft de krijgsman den geheelen avond nog, heer?
ZIELIG. Zeker, David; ik wil hem goed onthalen. Een vriend aan het
hof is beter dan een stuiver in de beurs. Onthaal zijn manschappen
goed, David, want zij zijn aartsschelmen en achter den rug maken zij
iemand zwart.
DAVID. Niet erger zwart dan zijzelf zijn, heer, want zij hebben
verduiveld smerige hemden aan 't lijf.
ZIELIG. Goed bedacht, David. Aan 't werk, David.
DAVID. Ik zou u wel willen verzoeken, heer, dat gij Willem Visor van
Wincot bij die klacht van Clemens Perkes van den berg er doorhelpt.
ZIELIG. Er zijn vele klachten, David, tegen dien Visor; die Visor is,
dit weet ik, een aartsschelm.
DAVID. Ik geef uw edelheid gelijk, dat hij een schelm is, heer; maar
verhoede God, heer, dat aan een schelm de hand niet wat boven het
hoofd gehouden zou worden, als zijn vriend er om vraagt. Een eerlijk
man, heer, kan voor zichzelf spreken, als een schelm het niet kan. Ik
heb uwe edelheid deze acht jaren, heer, eerlijk gediend, en als ik
niet één of een paar keeren in 't verreljaar een schelm er door kan
helpen tegen een eerlijk man, heb ik al heel weinig vertrouwen bij
uw edelheid. Die schelm is mijn eerlijke vriend, heer; en daarom wil
ik uw edelheid verzoeken, hem de hand boven het hoofd te houden.
ZIELIG. Ga maar, hij zal geen last hebben, zeg ik. Bezorg alles,
David.--
(David af.)
Waar zijt gij, Sir John? Kom, kom, kom, de rijlaarzen uit!--Geef mij
de hand, vriend Bardolf.
BARDOLF. Ik ben blij, uw edelheid te zien.
ZIELIG. Ik dank je van ganscher harte, mijn goede vriend Bardolf.--(Tot
den Page.) En ook gij zijt welkom, mijn pootige knaap!--Kom, Sir John!
FALSTAFF. Ik volg u, beste heer Robert Zielig.
(Zielig af.)
Bardolf, kijk naar onze paarden.
(Bardolf en de Page af.)
Als ik in stukjes gezaagd werd, zou ik vier dozijn van zulke
gebaarde pelgrimsstaven opleveren, als die sinjeur Zielig. Het is
een wonderbaarlijk ding om te zien, die in het oog vallende samenhang
tusschen den geest van zijn gedienstige geesten en van hemzelf; door
hem gade te slaan, gedragen zij zich als onnoozele vrederechters;
door het verkeer met hen, is hij een vrederechterachtige bediende
geworden. Hun ziel en zijn ziel zijn onder den invloed van hun
onderlingen omgang zoo met elkander getrouwd, dat zij zich eendrachtig
opeendringen als even zoovele wilde ganzen. Als ik iets van sinjeur
Zielig gedaan wilde krijgen, zou ik zijn lieden voor mij winnen,
door hen te beduiden, dat zij hun beer nabij kwamen; en wilde ik
iets van zijn bedienden, dan zou ik sinjeur Zielig er mee streelen,
dat geen mensch beter zijn onderhoorigen wist te drillen. Het is
zeker, dat zoowel een wijs gedrag als een onnoozele wijs van doen
aanstekelijk zijn, zooals de menschen kwalen krijgen, de een van den
ander; daarom moet de mensch toezien, met wie hij omgaat. Ik zal uit
dezen Zielig stof genoeg weten te halen om prins Hendrik altijddoor
aan het lachen te houden, zoolang tot zes nieuwe modes versleten zijn,
wat zooveel is als vier gerechtstermijnen of twee schuldvorderingen,
en hij zal zonder vacanties lachen. O, het is verbazend, wat een
leugen met een kleinen vloek of een grap met een ernstig gezicht kan
doen bij een jongen borst, die nog geen pijn in de schouders kent. O,
ge zult hem zien lachen, tot zijn gezicht er uitziet als een natte
mantel, die slordig is neergelegd.
ZIELIG (van binnen). Sir John!
FALSTAFF. Ik kom, heer Zielig: ik kom, heer Zielig!
(Falstaff af.)