Een kamer, Jerusalem geheeten, in het koninklijk paleis te Westminster.
Koning Hendrik, de Prinsen Thomas van Clarence en Humphrey van Gloster,
Warwick en Anderen komen op.
KONING HENDRIK. Ja, Lords, doet God de tweedracht, die alsnog
Aan onze poorten bloedt, gelukkig einden,
Dan voeren we onze jeugd in eed'ler strijd
En trekken enkel Gode-heil'ge zwaarden.
Gereed is onze vloot, ons heer bijeen,
En volmacht hebben onze plaatsbekleders;
Kortom, naar wensch is alle ding beschikt;
Wij missen niets dan een'ge lichaamskracht,
En moeten toeven, tot deze oproerlingen
Zich buigen onder 't juk van ons bewind.
WARWICK. En 't een èn 't ander valt uw majesteit
Wis dra ten deel.
KONING HENDRIK. Humphrey, mijn zoon van Gloster,
Waar is de prins uw broeder?
PRINS HUMPHREY. Ik denk, mylord, naar Windsor op de jacht.
KONING HENDRIK. En wie verzelt hem?
PRINS HUMPHREY. 'k Weet het niet, mylord.
KONING HENDRIK. Is niet zijn broeder, Thomas Clarence, bij hem?
PRINS HUMPHREY. Neen, waarde vader; die bevindt zich hier.
CLARENCE. Wat wenscht mijn heer en vader?
KONING HENDRIK. Niets, Thomas Clarence, dan u goed te doen.
Van waar, dat gij niet bij uw broeder zijt?
Gij zijt hem lief, doch gij verzuimt hem, Thomas.
Een beter plaats bekleedt gij in zijn hart,
Dan al uw broeders; kweek dit aan, mijn jongen,
En eed'le diensten kunt gij eens bewijzen
Door na mijn dood als midd'laar op te treden
Van zijne grootheid en uw andre broeders;
Dies, mijd hem niet; verstomp zijn liefde niet;
Verbeur het voorrecht niet van zijne gunst
Door koel of achtloos jegens hem te schijnen;
Want wie hem zoekt, ervaart zijn minzaamheid;
Den traan van 't meêlij heeft hij, en een hand
Voor weeke goedheid open als de dag;
Maar toch, voor wie hem trotst, is hij als steen,
Zoo luimig als de winter, plotseling vast,
Als morgendauw, waar ijswind overheen vaart.
Dies is zijn stemming wel in acht te nemen;
Berisp hem om zijn feilen, doch met eerbied,
Als gij zijn geest blijmoedig ziet gestemd;
Maar is hij norsch, vier dan zijn drift de lijn,
Totdat die, als een walvisch op den zeegrond,
Bezwijkt door eigen woeling. Leer dit, Thomas,
En voor uw vrienden wordt gij dan een schutse,
Een gouden ring, uw broeders samenbindend,
Zoodat het vat, dat aller bloed vereent,
Al wordt verleidingsgif er in gemengd,--
Dit laat de tijd niet na er in te storten,--
Nooit lek wordt, zelfs al werkt dit gif zoo sterk,
Als aconiet of snel ontvlammend kruit.
CLARENCE. Ik wil met alle liefde en zorg hem eeren.
KONING HENDRIK. Waarom gingt gij niet mee naar Windsor, Thomas?
CLARENCE. Daar is hij heden niet, hij eet in Londen.
KONING HENDRIK. Met wat voor vrienden? is u dit bekend?
CLARENCE. Met Poins en andren, waar hij steeds mee omgaat.
KONING HENDRIK. Het rijkst aan onkruid is het vetste land:
En hij, het edel beeld van mijne jeugd,
Is dicht er mee bezet; dies strekt mijn leed
Nog òver 't uur van mijnen dood zich uit.
Mijn hart weent bloed, als mijn verbeelding zich
Die teugellooze dagen maalt, die tijden
Van voos verderf, die gij aanschouwen zult,
Als ik zal rusten bij mijn voorgeslacht.
Want als zijn woestheid iedren breidel mist,
Als woede en weeld'rig bloed zijn raders zijn,
Als midd'len samengaan met losse zeden,
O, met wat wieken vliegen dan zijn tochten
Op 't felst gevaar, den diepsten afgrond, toe!
WARWICK. Mijn eed'le vorst, uw blik gaat langs hem heen.
De prins beoefent slechts zijn metgezellen
Gelijk een vreemde taal: wil men die kennen,
Dan moet men elk, zelfs het oneerbaarst woord,
Opmerken, leeren; weet men 't eens, dan dient dit,--
Uw hoogheid weet het,--verder tot niets anders,
Dan dat men 't kent en haat. Als ruwe woorden,
Zal eens de prins, is daar de tijd voor rijp,
Die volgers van zich schudden, en zijn kennis
Van hen een maat of monster voor hem zijn,
Waarnaar zijn hoogheid 't leven schat van andren,
Zoodat hij vroeger kwaad in winst verkeert.
KONING HENDRIK. 't Is zelden, dat de bij haar raat verzaakt
Zelfs in een kreng.
(Westmoreland komt op.)
Wie komt daar? Westmoreland?
WESTMORELAND. Heil mijnen heer en vorst; en nieuw geluk
Bekrone 't heil, dat ik u melden kom!
Prins John, uw zoon, kust uwer hoogheid hand;
Mowbray, de bisschop Scroop, Hastings en allen
Zijn aan uw wet ter tuchtiging vertrouwd;
Niet één rebellenzwaard is meer ontbloot;
De vrede doet de' olijf alom ontspruiten.
De wijze, hoe deze uitslag werd verkregen,
Vindt te geleeg'ner tijd uw hoogheid hier
Uitvoerig in bijzonderheên ontvouwd.
KONING HENDRIK. O, Westmoreland, gij zijt een zomervogel,
Die aan des winters hielen steeds het rijzen
Des nieuwen dags bezingt.
(Harcourt komt op.)
Zie, nòg meer nieuws!
HARCOURT. God hoede uw majesteit voor 's vijands lagen;
En mogen zij, die u bedreigen, vallen
Als zij, van wie ik thans u tijding breng.
De graaf Northumberland werd met lord Bardolf
En groote macht van Engelschen en Schotten
In Yorkshire door den Sheriff overmand.
De leiding en den loop van het gevecht
Vermeldt, mijn vorst, uitvoerig dit bericht.
KONING HENDRIK. Waarom maakt al dit blijde nieuws mij krank?
Komt nooit Fortuin met beide handen vol,
Maar schrijft ze een blijmaar steeds met booze letters?
Zie, zoo verleent zij eetlust en geen spijs
Aan armen, die gezond zijn; of een feestmaal,
Maar zonder eetlust, zooals 't rijkaards gaat,
Die, overvloed bezittend, niets genieten.
Ik moest verblijd zijn bij dit heuglijk nieuws,
En zie, mijn oog is dof, mijn brein wordt duiz'lig.--
Wee mij! treedt nader, 'k voel mij ziek, zeer ziek.
(Hij zinkt in onmacht.)
PRINS HUMPHREY. Moed, eed'le vorst!
CLARENCE. Mijn koninklijke vader!
WESTMORELAND. Mijn heer en vorst, kom bij, sla de oogen op!
WARWICK. Bedaard, mijn prinsen; zulk een aanval is,
Zooals gij weet, niet vreemd meer bij zijn hoogheid.
Terug en geeft hem lucht! 't is daad'lijk over.
CLARENCE. Neen, lang houdt hij die vlagen niet meer uit.
De stâge zorg en arbeid van zijn geest
Heeft zóó den wal, die dezen schut, verbrokkeld,
Dat reeds het leven uitkijkt, ras er door breekt.
PRINS HUMPHREY. 't Volk maakt mij angstig: 't zag natuur in arbeid
122
Van schrikgeboorten, vaderlooze kinders;
Geen jaartij houdt zijn aard; 't is of het jaar
Hier, daar, een maand in slaap vond, oversprong.
CLARENCE. De stroom was driemaal wassend, zonder ebbe;
En stokoud volk en suffende kronieken
Verhalen, dat hetzelfde werd gezien,
Kort vóór onze oudgrootvader Edward stierf.
WARWICK. Spreek zachter, prinsen; onze vorst komt bij.
PRINS HUMPHREY. Wis, een beroerte zal zijn einde zijn.
KONING HENDRIK. Ik bid u, neemt mij op, draagt mij van hier
En in een andre kamer; zachtkens, zacht!
(Zij dragen den koning op een bed in de aangrenzende kamer.)