Een andere kamer van het paleis.
Koning Hendrik, te bed liggend; Clarence, Gloster, Warwick, om hem
heenstaand; Dienaars.
KONING HENDRIK. Laat geen gedruisch hier maken, lieve vrienden,
Tenzij een liefdevolle sluimerhand
Muziek will' fluist'ren tot mijn moede ziel.
WARWICK. Roept de muziek; zij ga in gindsche kamer.
KONING HENDRIK. Leg mij de kroon hier bij mij, op mijn kussen.
CLARENCE. Zijn oog is hol en hij verandert zeer.
WARWICK. O stil toch, stil!
(Prins Hendrik komt op.)
PRINS HENDRIK. Waar is de hertog Clarence?
CLARENCE. Hier ben ik, broeder, van verdriet vervuld.
PRINS HENDRIK. Wat! regen binnenshuis, en buiten niet?
Hoe gaat het met den koning?
CLARENCE. Slecht, zeer slecht.
PRINS HENDRIK. Weet hij de goede tijding? zeg hem die.
PRINS HUMPHREY. Hij is, toen hij die hoorde, zeer veranderd.
PRINS HENDRIK. Is hij van vreugde krank,
Dan wordt hij zonder artsenij weer beter.
WARWICK. Zoo luide niet, mylords!--Mijn prins, spreek zacht;
Uw koninklijke vader wenscht te slapen.
CLARENCE. Laat ons in de andere kamer ons begeven.
WARWICK. Behaagt het uwe hoogheid mee te gaan?
PRINS HENDRIK. Neen, 'k wil hier bij den koning blijven waken.
(Allen af, behalve Prins Hendrik.)
Waarom ligt op zijn kussen hier de kroon,
Die toch een bedgenoot vol onrust is?
O blinkende onrustwekster! gouden zorg!
Die meen'ge waaknacht lang der sluim'ring poorten
Wijd openhoudt!--en nu met haar te slapen!
Doch zoo gezond niet, noch zoo diep en zoet,
Als een, die, met een grove muts om 't hoofd,
De gansche nacht versnorkt. O majesteit!
Als gij uw drager knelt, dan zit gij hem
Als in de middaghitte een kostlijk harnas,
Een schuts, die brandt.--Zie, aan zijns adems poorten
Ligt daar een vlokje dons, dat niet beweegt;
Had hij nog adem, dit gewichtloos veertje--
Het trilde wis.--Doorluchtig vorst! mijn vader!
Wel diep is deze slaap; dit is een slaap,
Die meen'gen vorst van England heeft gescheiden
Van dezen gouden wrong. Uw recht op mij
Eischt tranen en het innigst harteleed,
Wat èn natuur èn liefde èn kinderplicht
U, dierb're vader, rijk'lijk zal voldoen;
Mijn recht op u is deze koningskroon,
Die mij, als u in rang en bloed het naast,
Van zelf ten deele valt. Daar zit zij, ziet,
(Hij zet zich de kroon op het hoofd.)
God hoede haar! En huiz' heel 's werelds kracht
In éénen reuzenarm, hij rooft dit pand
Mijns stams mij niet! En zooals gij de kroon
Aan mij nu laat, laat ik haar aan mijn zoon.
(Prins Hendrik af.)
KONING HENDRIK (ontwakend). Warwick! Gloster! Clarence!
(Warwick en de overigen komen terug.)
CLARENCE. Roept de koning?
WARWICK. Wat wenscht mijn vorst? Hoe gaat het uwe hoogheid?
KONING HENDRIK. Waarom, mylords, liet gij mij hier alleen?
CLARENCE. De prins, mijn broeder, bleef hier bij uw hoogheid;
Hij nam zich voor, te waken aan uw bed.
KONING HENDRIK. De prins van Wales? Waar is hij? 'k wil hem zien;
Hij is niet hier.
WARWICK. Die deur is open; daar ging hij dus uit.
PRINS HUMPHREY. Hij kwam niet door de kamer, waar wij toefden.
KONING HENDRIK. Waar is de kroon? wie nam die van mijn kussen?
WARWICK. Mijn vorst, bij 't heengaan lieten wij die hier.
KONING HENDRIK. Dan nam de prins haar weg;--ga, zoek hem op.
Heeft hij zoo groote haast, dat hij mijn slaap
Voor doodsslaap houdt?--
Zoek hem, lord Warwick; gisp hem, zend hem hier.
(Warwick af.)
Dit doen van hem vereent zich met mijn kwaal;
't Verhaast mijn dood.--Ziet, zoons, wat wezens zijt gij!
Met welk een spoed vervalt natuur tot opstand,
Als goud haar doelwit wordt!
Daarvoor dus breken teed're blinde vaders
Hun slaap door nachtgepeins,
Hun brein door zorgen, hun gebeent' door arbeid;
Daarvoor vermeerd'ren zij en staap'len op,
In booze hoopen, sluw verworven goud;
Daarvoor zijn zij volijv'rig, om hun zoons
In kunst en krijgsbedrijven in te wijden!
Wij lezen als de bij in elke bloem
Wat ze edelst biedt en zoetst;
Den voet met was belaân, den mond met honig,
Zoo zoeken wij den korf, en, als de bijen,
Vermoordt men ons tot loon. Dien bitt'ren nasmaak
Heeft van zijn oogst de vader bij 't verscheiden.--
(Warwick komt terug.)
Nu, waar is hij, die niet zoo lang kan wachten,
Dat zijn vriendin, mijn ziekte, mij voleindt?
WARWICK. Ik vond den prins, heer, in het naast vertrek,
Zijn eed'le wangen badend met zijn tranen,
Met zulk een echt gebaar van diepen rouw,
Dat Tyrannie, die niets dan bloed ooit dronk,
Bij 't zien van hem, haar moorddolk af zou wasschen
Met zachte deernisdroppels. Hij komt herwaarts.
KONING HENDRIK. Doch wat bewoog hem, om de kroon te nemen?
(Prins Hendrik komt terug.)
Daar komt hij, ziet!--Treed nader tot mij, Hendrik.--
Verlaat de kamer, laat ons hier alleen.
(Allen af, uitgezonderd Koning Hendrik en Prins Hendrik.)
PRINS HENDRIK. Ik dacht, ik zou u nooit meer hooren spreken.
KONING HENDRIK. Uw wensch was vader dier gedachte, Hendrik.
Ik toef u hier te lang, maak u vermoeid.
Wekt zoo mijn leêge stoel uw hunk'ring op,
Dat gij volstrekt u met mijn rang wilt tooien,
Nog vóór uw uur gerijpt is? Blinde knaap,
De grootheid zoekt gij, die u overstelpt.
Toef slechts een wijl; zoo zwak een tochtje houdt
Mijn wolk van waardigheid in 't vallen tegen,
Dat die dra zinken moet; mijn dag wordt donker.
Gij hebt gestolen, wat na weinige uren
U zijn zou zonder schuld; en bij mijn dood
Hebt gij bezegeld wat ik heb gevreesd.
Uw leven toonde, dat gij mij niet mindet,
Nu wilt gij 't mij verzeek'ren, eer ik sterf.
Gij bergt een duizend dolken in uw geest,
En hebt die op uw steenen hart gewet
Om mij een half uur levens af te steken.
Wat! kunt gij zelfs geen half uur op mij wachten?
Zoo ga dan heen, en delf gijzelf mijn graf,
En laat de klokken blij in 't oor u klinken,
Uw kroning u verkondend, niet mijn dood.
De tranen, die mijn baar besproeien moesten,
Zij mogen balsem zijn en 't hoofd u zalven;
Bedek mij enkel met vergeten stof;
Geef, wat u 't leven schonk, den wormen prijs;
Verjaag mijn dienaars en verbreek mijn wetten;
De tijd is daar, die spot met elken vorm.
Hendrik de Vijfde heerscht!--Op, ijdelheid!
Weg, koningswaardigheid! weg, wijze raders!
Stroomt van alom naar 't hof van England heen,
Komt vrij, gij apen in losbandigheid!
Naburen, vlug! ontdoet u van uw schuim;
Hebt gij een woestaard, die staâg vloekt, drinkt, danst,
's Nachts rinkelrooit, steelt, moordt, en de oudste zonden
Aldoor op nieuw, op nieuwe wijzen pleegt;--
Heil u, niet langer is hij u tot last,
England verguldt met dubbel goud zijn zonde,
England verleent hem ambten, eer en macht;
De vijfde Hendrik rukt betoomde woestheid
Den muilband af des dwangs, en 't wilde beest
Slaat ras zijn tand in 't vleesch van iedere onschuld.
Mijn arm, arm rijk, dat bloedt van burgerkrijg!
Zoo al mijn zorg uw woestheid niet kon keeren,
Hoe zal 't u gaan, als woestheid voor u zorgt?
Op nieuw, helaas! wordt gij een wildernis,
Bevolkt door wolven, uwe vroeg're burgers!
PRINS HENDRIK (nederknielend). O Heer, vergeef mij; zonder deze tranen,
De vochte hindernissen mijner spraak,
Had ik dit grievend, diep verwijt voorkomen,
Aleer uw leed zoo sprak, en ik zijn voortgang
Zoo ver had aangehoord. Hier is uw kroon;
En Hij, die zijne kroon onsterflijk draagt,
Behoede u haar nog lang! Indien ik meer
Haar liefheb dan uw eer en dan uw roem,
Dan rijze ik nimmer op van deze eerbied'nis,
Die innerlijk gevoel van waren eerbied
Mij leert, dit uiterlijk, deemoedig knielen.
O, God zij mijn getuige,--toen ik inkwam
En bij uw majesteit geen adem vond,
Hoe 't mij een steek door 't hart was!--Zoo ik huichel,
Dat ik dan hier, in mijne woestheid, sterv',
Niet leve, om de ongeloovige aard te toonen,
Tot welk een eed'len omkeer ik besloot.
Ik kwam om u te zien; ik dacht u dood,
En, zelf schier dood, mijn vorst, door die gedachte,
Sprak ik de kroon, als kon zij mij verstaan,
Verwijtend toe: "De zorg, die aan u hangt,
Heeft van mijns vaders lichaam zich gevoed;
Daarom zijt gij, fijnst goud, het slechtste goud;
Ja, ander, minder van karaat, is eed'ler,
Dat leven schenkt in drinkbare artsenij;
Doch gij, het fijnst, het rijkst in roem en eer,
Hebt uwen heer verteerd." Zoo, vorst en vader,
Verklaagde ik haar en zette haar op 't hoofd,
Om met haar, als een vijand, die mijn vader,
En voor mijn eigen oogen, had vermoord,
Den strijd als wettig erfgenaam te wagen.
Maar zoo zij mij het bloed door vreugd besmette,
Mijn hart deed zwellen van verwaten trots,
Zoo in mij een'ge drieste of ijd'le geest
Met de geringste neiging tot een juichtoon
Haar en haar macht als welkom heeft begroet,
Dan houde God haar van mijn hoofd steeds verre,
En make mij gelijk den minsten dienstman,
Die eerbiedvol en sidd'rend voor haar knielt!
KONING HENDRIK. O, mijn zoon!
God gaf u in, de kroon van hier te nemen,
Opdat ge uws vaders liefde meer zoudt winnen
Door zulk een wijs bepleiten van uw zaak.
Kom, Hendrik, hier, en zet u aan mijn bed;
En hoor, vermoed'lijk de' allerlaatsten raad,
Dien ik ooit aad'men zal. God weet, mijn zoon,
Door welke kromme wegen, slinksche treken
Ik deze kroon verwierf; en ik, ik weet,
Hoe drukkend zij mijn slapen heeft gekneld.
Aan u valt zij ten deel met beet're rust,
Met beet're meening, beet're zekerheid;
Want iedre vlek van haar erlanging gaat
Met mij in 't graf. Op mijn hoofd scheen zij slechts
Een sieraad, met een drieste hand gevat;
Er leefden velen om mij te verwijten,
Dat ik haar enkel won door hunne hulp,
Wat daag'lijks strijd en bloedvergieten wekte,
Den schijnb'ren vrede wondde. 'k Heb die schrikken
Met veel gevaar,--gij zaagt het,--vaak getrotst;
Want mìjn bewind was steeds als een tooneel,
Dat zulk een inhoud speelde,--tot mijn dood
Nu 't spel verandert. Want wat ik verwierf,
Valt op een schooner wijs thans u ten deel,
Wijl gij als erfgenaam den haarband draagt.
Maar toch, al staat gij vaster dan ooit ik,
't Is nog niet vast genoeg; nòg smeulen grieven;
En al mijn' vrienden,--nog door u te winnen,--
Is pas de giftand en 't vergif ontrukt;
Hun wreed bedrijf heeft mij de kroon verschaft,
En hunne macht moest mij beducht doen zijn
Voor nieuwe onttroning; en, om dit te ontgaan,
Besnoeide en kapte ik hen, en was van plan
Nu velen naar het Heilig land te voeren,
Opdat niet rust en nietsdoen hun te zeer
Mijn rijk deed gadeslaan. Daarom, mijn Hendrik,
Zij dit uw weg: geef tuimelgeesten werk
Door vreemden krijg; de strijd in 't buitenland
Wissch' hun de heugnis uit van vroeger dagen.
Meer wilde ik--, doch mijn stem is uitgeput;
De longen weig'ren mij de kracht tot spreken.
Ik won de kroon; O God vergeev' mij hoe,
En sta haar u in waren vrede toe!
PRINS HENDRIK. Doorluchtig vorst,
Gij wont en hoeddet, droegt haar, gaaft haar mij;
Dies staat mij, bij 't bezit, het recht ter zij,
Wat ik, al dreigde mij met al haar macht
De gansche wereld, staaf met eed'le kracht.
(Prins John van Lancaster, Warwick, Lords en Anderen komen op.)
KONING HENDRIK. Zie, zie, daar komt mijn John van Lancaster.
PRINS JOHN. Gezondheid, vrede en heil, doorluchte vader!
KONING HENDRIK. Gij brengt mij heil en vrede, ja, mijn zoon;
Maar ach! gezondheid vlood met jonge vleugels
Den kalen dorren stam. Nu ik u zie,
Is 't einde van mijn aardschen arbeid daar.--
Waar is mylord van Warwick?
PRINS HENDRIK. Mylord van Warwick!
KONING HENDRIK. Draagt het vertrek, waar ik in onmacht viel,
Mylord, een eigen naam ter onderscheiding?
WARWICK. Het heet Jerusalem, mijn beste heer.
KONING HENDRIK. Geloofd zij God! Daar loopt mijn leven af;
't Is menig jaar geleden mij voorspeld,
Dat ik zou sterven in Jerusalem.
Ik waande steeds, dit was in 't Heilig land.--
Doch, breng mij in die kamer om te sterven;
Jerusalem doe Hendrik rust verwerven!
(Allen af.)