Een ander gedeelte van het woud.
Krijgsrumoer; schermutselingen. Falstaff en Coleville komen op,
van verschillenden kant.
FALSTAFF. Uw naam, heer? van wat rang zijt gij en van welke
plaats? Spreek!
COLEVILLE. Ik ben een ridder, heer; en mijn is naam is Coleville van
het dal.
FALSTAFF. Dus: Coleville is uw naam, ridder uw titel, en uw plaats het
dal. Coleville zal uw naam blijven, verrader uw titel en de kerker uw
plaats;--een plaats, diep genoeg; zoo blijft uw naam steeds Coleville
van het dal.
COLEVILLE. Zijt gij niet Sir John Falstaff?
FALSTAFF. Een even goed man als hij, Sir, wie ik ook zijn moge. Geef
gij u over, heer, of moet ik om u zweeten? Als ik zweet, zijn het
de droppels van uw vrienden, die om uw dood weenen; daarom, schud uw
vrees en beving wakker, en verdeemoedig u voor mijn barmhartigheid.
COLEVILLE. Ik geloof, dat gij Sir John Falstaff zijt, en in dat geloof
geef ik mij over.
FALSTAFF. Ik heb een gansche school van tongen in dezen mijnen buik,
en geen van al die tongen spreekt een ander woord dan mijn naam. Als
ik maar een buik had van eenige middelmaat, zou ik eenvoudig de
flinkste kerel in Europa zijn; mijn pens, mijn pens, mijn pens is
mijn ongeluk.--Daar komt onze veldheer.
(Prins John van Lancaster, Westmoreland en Anderen komen op.)
PRINS JOHN. De drijfjacht is gedaan; vervolgt niet verder.--
Roep 't volk terug, mijn waarde Westmoreland.--
(Westmoreland af.)
Zoo, Falstaff, wat deedt gij den ganschen tijd?
Nu alles uit is, komt gij voor den dag.
Met zulke trage streken breekt gij eens,
Ik zweer 't u, de eene of andere galg den rug.
FALSTAFF. Het zou mij leed doen, heer, maar het moet wel zoo komen;
ik heb nooit anders gehoord, dan dat berisping en verwijt het loon
der dapperheid waren. Houdt gij mij voor een zwaluw, een pijl of een
kogel? heb ik in mijn arme oude beenen de snelheid van de gedachte? Ik
ben hierheen geijld tot den uitersten duimbreed der mogelijkheid;
ik heb over de honderd-en-tachtig postpaarden te schande gereden;
en hier, zoo afgejakkerd als ik ben, heb ik, in mijn zuivere en
onbevlekte dapperheid, Sir John Coleville van het dal gevangengenomen,
een uiterst woedenden ridder en dapperen vijand. Maar wat zal ik er van
zeggen? hij zag mij en gaf zich over, zoodat ik met dien kromneuzigen
Romeinschen snaak te recht zeggen kan: "ik kwam, ik zag en overwon."
PRINS JOHN. Dat was meer zijn hoffelijkheid dan uw verdienste.
FALSTAFF. Ik weet niet; hier is hij, en hier lever ik hem over. En ik
verzoek uwe genade, laat het geboekt worden bij de overige daden van
dezen dag: of, bij den hemel, ik laat er mij anders een bijzondere
ballade over maken, met mijn eigen beeltenis er boven, hoe Coleville
mij de voeten kust. Wanneer ik tot die handelwijs gedwongen word,
indien gij allen dan niet als vergulde duiten bij mij afsteekt, en
ik aan den helderen hemel van den roem u niet even ver overstraal,
als de volle maan het de vonkjes van het firmament doet, die bij haar
speldeknoppen schijnen, sla dan nooit meer geloof aan het woord van
een edelman. Daarom, laat mij recht wedervaren en verdienste stijgen!
PRINS JOHN. De uwe is te zwaar om te stijgen.
FALSTAFF. Laat haar dan schijnen.
PRINS JOHN. De uwe is te dik om te schijnen.
FALSTAFF. Laat het dan maar doen, wat ook, mijn beste prins, dat mij
goed kan doen, en noem dit, zooals gij wilt.
PRINS JOHN. Uw naam is Coleville?
COLEVILLE. Zoo is 't, mylord.
PRINS JOHN. Gij, Coleville, zijt een vermaard rebel.
FALSTAFF. En die hem ving, is een vermaard trouw onderdaan.
COLEVILLE. Ik ben, mylord, slechts als mijn hoog'ren zijn,
Die hier mij brachten; hadden zij mijn raad
Gevolgd, dan hadt gij duurder hen gekocht.
FALSTAFF. Ik weet niet, waarvoor zij zich verkocht hebben; maar gij
hebt, als een goedhartige kerel, uzelf voor niet weggegeven, en ik
dank u voor u.
(Westmoreland komt terug.)
PRINS JOHN. Nu, de vervolging is gestaakt?
WESTMORELAND. Al de onzen keeren reeds; de waap'nen rusten.
PRINS JOHN. Zend Coleville, met al zijn eedgenooten,
Naar York tot onverwijlde strafvoltrekking.
Blunt, voer hem heen en houd hem scherp in 't oog.
(Coleville wordt weggeleid.)
En nu, mylords, breekt met mij op naar 't hof,
De koning is, zoo hoor ik, ernstig krank;
Ons ijle 't heuglijk nieuws naar hem vooruit;--
Wees gij de bode, neef,--om hem te troosten:
Wij volgen, met een mind'ren spoed, u dra.
FALSTAFF. Mylord, ik bid u, geef mij oorlof om door Glostershire
te gaan. En als gij aan het hof komt, ik bid u, toon u mij gunstig,
heer, in uw gunstig verslag.
PRINS JOHN. Falstaff, vaarwel; ik zal, te zijner plaatse,
Goed van u spreken, meer dan gij verdient.
(Allen af, uitgezonderd Falstaff.)
FALSTAFF. Ja, als gij daartoe geest genoeg hadt! dit ware u beter
dan uw hertogdom. Op mijn eer, deze jonge, vischbloedige knaap mag
mij niet lijden. En geen mensch kan hem aan het lachen brengen: maar
dat is geen wonder, hij drinkt geen wijn. Van geen van al die eerbare
knapen komt ooit iets te recht; want hun bloed wordt zoo overmatig
bekoeld door hun dunne dranken en hun vele vischmaaltijden, dat zij
een soort van mannelijke bleekzucht krijgen; en dan, als zij trouwen,
krijgen zij niets dan meisjes. Zij zijn over het algemeen zotskappen en
lafaards, wat sommigen van ons ook zouden zijn, zonder verhitting. Een
goede sherry-sek heeft een tweeledige kracht: zij stijgt een mensch
in het brein, droogt me daar alle dwaze en domme en ruwe dampen weg,
die het omgeven; maakt het vlug van bevatting, flink, vindingrijk,
vol behendige, vurige en vermakelijke beelden, die dan, overgebracht
aan de stem, de tong,--die hun geboorte is,--voortreffelijke geest
worden. De tweede eigenschap van die voortreffelijke sherry is de
verwarming van het bloed, dat, te voren koud en loom, de lever koud
en bleek liet blijven, wat het merkteeken is van kleinmoedigheid
en lafhartigheid; maar de sek verwarmt het en drijft het van de
inwendige deelen naar de uiterste. Zij doet het gelaat stralen, dat,
als een signaalvuur, al het overige van dit kleine koninkrijk, mensch
genaamd, in de wapens roept; en het burgervolk van het lichaam en de
kleine levensgeesten uit de provinciën scharen zich dan allen om hun
overste, het hart, dat, door al die volgelingen groot en aangeblazen,
elke daad van dapperheid verricht; en deze manhaftigheid komt van de
sherry. Zoodat bedrevenheid in de wapens niets is zonder sek, want
deze brengt haar aan den gang, en geleerdheid niets dan een hoop
begraven goud, waar een duivel de wacht bij houdt, tot de sek dien
ontgint en in gebruik en aan het werk zet. Hier komt het vandaan, dat
Prins Hendrik dapper is, want het koude bloed, dat hij van nature van
zijn vader erfde, heeft hij, als mager, schraal en onvruchtbaar land,
gemest, omgezet en geploegd met ongemeene inspanning van goed drinken
en met een goeden voorraad van vruchtbaarmakende sherry, zoodat hij
recht vurig en manhaftig geworden is. Als ik een duizend zoons had,
het eerste menschelijk beginsel, dat ik hun inprentte, zou wezen,
alle dunne dranken af te zweren, en zich aan de sek te wijden.
(Bardolf komt op.)
Wel, Bardolf?
BARDOLF. 't Geheele leger is ontbonden en naar huis.
FALSTAFF. Laat hen gaan. Ik wil door Glostershire; en daar zal ik
den heer Robert Zielig, grondeigenaar, een bezoek brengen; hij wordt
mij reeds week tusschen vinger en duim, en binnenkort zal ik met hem
zegelen. Kom mede.
(Beiden af.)