Een ander gedeelte van het woud.
Van de eene zijde komen op: Mowbray, de Aartsbisschop, Hastings en
Anderen; van de andere zijde: Prins John van Lancaster, Westmoreland,
Officieren en Gevolg.
PRINS JOHN. Ik heet u vriendlijk welkom hier, neef Mowbray.--
Ontvang mijn groet, eerwaardige aartsbisschop;
En zoo ook gij, lord Hastings,--en gij allen.--
Mylord van York, veel schooner kwaamt gij uit,
Als, door de klokken saamvergaard, uw kudde,
Om u geschaard, eerbiedige aandacht schonk
Aan uw verklaring van Gods heilig woord,
Dan nu gij hier verschijnt als man van staal,
Een bende muiters aanvuurt met uw trom,
In 't zwaard het woord verkeert, in dood het leven.
De man, die in het hart eens konings troont
En in den zonschijn zijner gunst gedijt,--
Als hij des konings steun misbruiken wil,
Wat vloed van onheil, ach, kan hij ontboeien,
Door zulk een macht beschaduwd! Zoo, lord bisschop,
Is 't ook met u. Want wie heeft niet vernomen,
Hoe diep ge in 't woord van God zijt ingedrongen,
Voor ons de ontvouwer zijt zijns hoogen raads,
De ware tolk en midd'laar, die des hemels
Genade en heiligheden openbaart
Aan onze blindheid? O, wie zal niet meenen,
Dat gij de hoogheid van uw ambt misbruikt,
En u van 's hemels heil'gen steun bedient.
Als een valsch gunstling van zijns vorsten naam,
Tot boos en eerloos doen? Gij hebt, in schijn
Voor God volijv'rig, van zijn plaatsbekleeder,
Mijn vader, de onderdanen opgehitst,
En tegen 's hemels en zijns vorsten vrede
Hen hier doen samenzwermen.
AARTSBISSCHOP. Waarde prins,
Mijn komst belaagt uws vaders vrede niet;
Maar,--'k deelde dit lord Westmoreland reeds meê,--
Ons dringt de woeste, ontstemde tijd opeen,
En perst vanzelf ons in deez' schrik'bren vorm,
Tot onze zekerheid. Ik zond uw hoogheid
De lijst en juiste omschrijving onzer grieven,
Die 't hof met wreev'len hoon ter zijde schoof,
Waaruit dit Hydramonster, oorlog, sproot;
Diens dreigende oogen zijn, door toe te staan
Wat billijk wordt verlangd, in slaap te toov'ren,
Zoodat gehoorzaamheid, geheeld van dolheid,
Gedwee zich neervlijt aan des vorsten troon.
MOWBRAY. Bij weig'ring zullen we ons geluk beproeven
Tot op den laatsten man.
HASTINGS. En falen wij,
Dan zijn er helpers, die ons streven steunen;
Mislukt het hun, dan staan hen andren bij;
En zoo zal telkens onheil onheil wekken;
Een reeks van erven zet het strijden voort,
Zoolang in England nog gedachten zijn.
PRINS JOHN. Uw doorzicht, Hastings, is te zwak, te zwak,
Om tot der toekomst bodem door te dringen.
WESTMORELAND. Wil uw genade hun niet ronduit melden,
Hoe ver ge in elk der eischen treden kunt?
PRINS JOHN. Ik billijk ze alle en stem er dus mee in;
En zweer hier bij den adel van mijn bloed:
Miskend werd, wat mijn vader heeft bedoeld;
En enk'len om hem hebben al te stout
Des konings meening en bevel verdraaid.--
Mylord, aan uwe klachten wordt voldaan,
En spoedig, op mijn woord. Voldoet u dit,
Zoo zend uw scharen weg, elk naar zijn graafschap;
Zoo doen ook wij;--dan hier, voor beide legers,
Een dronk gewisseld en elkaar omarmd,
Opdat elks oog die panden huiswaarts neem'
Van onzen zoen en weer hernieuwde vriendschap.
AARTSBISSCHOP. 'k Aanvaard uw vorstlijk woord voor de vervulling.
PRINS JOHN. Ik geef het u en doe mijn woord gestand;
En hierop drink ik uw genade toe.
HASTINGS (tot een Officier). Ga, hopman, breng ons heer de
vredeboodschap;
Betaal hun loon hun uit en laat hen gaan.
Ik weet, dit is hun welkom; spoed u, hopman.
(De Officier af.)
AARTSBISSCHOP (den beker toebrengend). Heil, u, mijn eed'le lord
van Westmoreland!
WESTMORELAND. Heil uw genade; wist gij, hoeveel moeite
Mij 't stichten der verzoening heeft gekost,
Dan zoudt ge een diepe teug doen; doch ik hoop
Nog nader u mijn vriendschap te bewijzen.
AARTSBISSCHOP. Ik twijfel niet aan u.
WESTMORELAND. Dit streelt mij zeer.--
Het welzijn van mijn goeden vriend, neef Mowbray!
MOWBRAY. Gij wenscht mij juist ter snede welzijn toe;
Want plots'ling voel ik mij wat ongesteld.
AARTSBISSCHOP. Als onheil naakt, is steeds de mensch blijmoedig;
Zwaarmoedigheid verkondigt goed geluk.
WESTMORELAND. Dus vroolijk, neef! daar plotselinge zorgen
Den troost u brengen: "wacht iets goeds op morgen!"
AARTSBISSCHOP. Geloof mij, ik ben uitermate luchtig.
MOWBRAY. Des te erger, zoo uw eigen regel geldt.
(Gejubel achter het tooneel.)
PRINS JOHN. De vrede is uitgeroepen, hoort, welk juichen!
MOWBRAY. Schoon zou dit klinken, na een zegepraal.
AARTSBISSCHOP. Een vrede is één van aard met overwinnen;
De twee partijen zijn met eer bedwongen,
En geen partij verliest.
PRINS JOHN. Ga heen, mylord,
En zorg, dat ook òns leger wordt ontbonden.--
(Westmoreland af.)
En, waarde lord, dat hier ons beider scharen
Langs trekken, en wij zien, met welke mannen
Wij ons te meten hadden.
AARTSBISSCHOP. Ga, lord Hastings,
Vóór 't scheiden trekken zij hier langs.
(Hastings af.)
PRINS JOHN. Mylords,
Ik hoop, wij leeg'ren deze nacht bijeen.--
(Westmoreland komt terug.)
Waarom, neef, breken de onzen nog niet op?
WESTMORELAND. De aanvoerders houden stand; zoo luidde ùw last;
Zij willen niet van hier, eer gij hun zelf
Dien last herroept.
PRINS JOHN. Dan kennen zij hun plicht.
(Hastings komt terug.)
HASTINGS. Mylord, ons leger is alreeds verstrooid.
Als jonge, ontjukte stieren loopen zij
Oost, west, noord, zuid; als knapen uit de school
IJlt ieder naar de speelplaats en naar huis.
WESTMORELAND. Een goede tijding, heer, waarvoor ik u
Om hoogverraad in hecht'nis neem, verrader;
Ook u, lord aartsbisschop, en u, lord Mowbray,
Neem ik om halsverraad hier in arrest.
MOWBRAY. Is deze handelwijs gerecht en eervol?
WESTMORELAND. Is uw verbond het?
AARTSBISSCHOP. Gij breekt aldus uw woord?
PRINS JOHN. U gaf ik 't niet.
Ik zeide u toe, verhooring van de klachten,
Die gij mij deedt; en daaraan, op mijn eer,
Zal ik, zoo waar ik christen ben, mij houden.
Doch gij, rebellen, weest bereid te proeven,
Wat uw verraad en heel uw doen verdient.
Lichtvaardig heeft uw krijg den staat beroerd;
Blind kwaamt gij hier, dwaas wordt gij heengevoerd.
Rukt op, en die verstrooiden na! op heden
Heeft God, niet wij, dien veil'gen strijd gestreden.--
Gij daar, bewaakt voor 't blok die vorstensmaders;
Want dat is 't rechte doodsbed voor verraders.
(Allen af.)