EERSTE TOONEEL.

Een woud in Yorkshire.

De Aartsbisschop van York, Mowbray, Hastings en Anderen komen op.

AARTSBISSCHOP. Hoe heet dit woud?

HASTINGS. Het is het woud van Gualtree, uw genade.

AARTSBISSCHOP. Zoo houdt hier stand, mylords, en zendt verkenners,

Om zekerheid van 's vijands macht te erlangen.

HASTINGS. Dit is alreeds geschied.

AARTSBISSCHOP. Zeer goed gedaan.--

Mijn vrienden, broeders bij dit grootsche werk,

Ik moet u melden, dat ik jonge brieven

Van graaf Northumberland ontvangen heb,

Van koelen inhoud, vorm en zin, aldus:--

Hij wenschte zeer, hier in persoon te zijn,

En met een macht, die met zijn aanzien strookt,

Doch kon die nog niet zaam'len, en hij week,

Om zijn geluk, dat aanwast, te doen rijpen,

Naar Schotland; en besluit met vuur'ge beden,

Dat uwe poging 't waagstuk en den aanval

Des schrikb'ren tegenstanders overleev'.

MOWBRAY. Zoo strandt alreeds de hoop, in hem gesteld,

En wordt uiteengeslagen.

(Een Bode komt op.)

HASTINGS. Nu, wat wilt ge?

BODE. De vijand komt daar welgewapend aan,

Een kleine mijl ten westen van dit woud;

En naar de ruimte, die zij dekken, schat ik

Zijn sterkte op dertigduizend man omtrent.

MOWBRAY. Het juist bedrag, door ons alreeds vermoed.

Komt, opgerukt, en in het veld hem tegen!

(Westmoreland komt op.)

AARTSBISSCHOP. Wat zwaargewapend krijgshoofd nadert daar?

MOWBRAY. Mij dunkt, het is mylord van Westmoreland.

WESTMORELAND. Zijn heuschen groet zendt u ons legerhoofd,

De prins en hertog, John van Lancaster.

AARTSBISSCHOP. Zeg ons, mylord van Westmoreland, in vrede,

Wat uwe komst bedoelt.

WESTMORELAND. Welnu, mylord,

Tot uwe genade in de eerste plaats richt ik

Den inhoud mijner rede. Kwam rebellie,

Zichzelf gelijk, met lage snoode rotten,

Door jeugd, die dorst naar bloed, geleid, door woede

Omstuwd, gesteund door bedelvolk en knapen,--

Ik zeg, deed zoo zich vloekbaar oproer voor,

In echten, aangeboren, eigen vorm,

Dan, achtbre vader en gij, eed'le lords,

Waart gij niet hier, zoudt gij 't afzicht'lijk wezen

Van lagen, bloedige' opstand niet bekleeden

Met uwe glansrijke eer. Gij, lord aartsbisschop,

Wiens stoel beschut wordt door den burgervrede,

Wiens baard de zilvren hand des vredes tintte,

Wiens weten en geleerdheid vrede voedde,

Wiens wit gewaad het zinbeeld is der onschuld,

De duif en zegenrijke geest des vredes,--

Waarom vertaalt gij thans zoo slecht uzelf,

Uit zulk een liefdevolle spraak des vredes

In deze woeste, ruwe taal des krijgs,

Verkeert ge uw inkt en schrift in bloed en graven,

Uw pen in oorlogslans, uw priestermond

In schrille krijgsklaroen en strijdsignaal?

AARTSBISSCHOP. Waarom doe ik aldus?--zoo luidt de vraag.

En bondig zeg ik:--allen zijn wij krank;

Want door ons brassend, dartel leven haalden

Wijzelf een heete koorts ons op het lijf,

Waarvoor wij bloeden moeten; aangestoken

Door deze kwaal, stierf onze koning Richard.

Maar, mijn hoogeed'le heer van Westmoreland,

Ik matig mij de rol van arts niet aan,

En schaar geenszins, als vijand van den vrede,

Mij in 't gedrang der mannen van den krijg;

'k Hul eer me een poos in 't schrikbaar krijgsgewaad,

Om wulpschheid, ziek van overdaad, te stuiten,

Verstoppingen te zuivren, die ons dreigend

De levensaad'ren drukken. Klaarder spreek ik.

Ik heb op juiste schalen streng gewogen,

Wat leed onze oorlog brengt, wat leed wij lijden,

En vind de grieven zwaarder dan 't vergrijp.

Wij zien, waarheen de stroom des tijds zich spoedt,

En uit de kalme rust van onze sfeer

Drijft ons de felle vloed des tijdsgewrichts.

Al onze grieven hebben wij omschreven,

Om te geleeg'ner uur de lijst te ontvouwen;

Ja, boden die reeds lang den koning aan,

Doch geen verzoek verschafte ons ooit gehoor.

Zijn wij gekrenkt en willen we ons beklagen,

Dan wordt door hen juist, die ons grievend krenkten,

De toegang tot den koning ons ontzegd.

Zoowel 't gevaar der jongst verloopen dagen,

Wier heug'nis nog op de aard geschreven staat

Met zichtb're plekken bloeds, als de bewijzen

Ons uur op uur geleverd van wat dreigt,

Doen ons die kwalijkstaande waap'nen grijpen,

Niet om den vrede of een'gen tak er van

Te breken, neen, om waarlijk vreê te vesten,

Die vrede zij van naam en van natuur.

WESTMORELAND. Wanneer dan werd u ooit gehoor geweigerd,

Waardoor heeft ooit de koning u gekrenkt,

Welk pair werd tegen u ooit opgehitst,

Dat gij hier op dit rechtloos, bloedig boek

Van schendig oproer 't kerk'lijk zegel drukken,

En 't vlijmend scherp eens opstands heil'gen wilt?

AARTSBISSCHOP. Mijn algemeene broeder, onze staat,

Doet in 't bijzonder mij, wiens eigen broeder

Door wreedheid viel, herstel van onrecht eischen.

WESTMORELAND. Niets geeft het recht om zoo dien eisch te doen,

En ware er recht, dan komt dit ù niet toe.

MOWBRAY. Waarom voor zijn deel hèm niet, als ons allen,

Die saâm de builen van 't verleden voelen,

Die lijden, nu de toestand onzes tijds,

Zwaar en partijdig drukkend, op onze eer

De handen legt?

WESTMORELAND. Mijn waarde vriend, Lord Mowbray,

Bedenk slechts, hoe de tijd steeds nooddwang oefent,

En gij zult zeggen, dat de tìjd het is,

En niet de koning, die u onrecht doet.

En wat uzelf betreft, zie ik niet in,

Dat òf de koning, òf deze onze tijd

U een'gen grond, een duimbreed zelfs, ooit gaf,

Om grieven op te bouwen. Werdt gij niet

Hersteld in al de rechten van uw vader,

Den eed'len, onvergeten hertog Norfolk?

MOWBRAY. Wat eere had mijn vader dan verbeurd,

Die weer in mij vernieuwd, verwekt moest worden?

De koning, die hem liefhad, was gedwongen,--

Zoo eischte en drong de staat--hem te verbannen.

Voorwaar, toen Hendrik Bolingbroke en hij,

Te paard en elk in 't zaâl ten strijd gereed,

Het brieschend ros aandrijvend met de sporen,

De scherpe lans geveld, 't vizier gesloten,

Het vlammend oog door 't stalen venster fonk'lend,

En de klaroen gestoken tot den rit,--

Toen, toen er eindlijk niets was, dat mijn vader

Meer afhield van de borst van Bolingbroke,--

O, toen de koning zijnen staf daar neêrwierp,

Hing aan dien neêrgeworpen staf zijn leven;

Hij wierp zichzelven neêr en aller leven,

Die sinds door vonnis en 't geweld des zwaards

Ten onder gingen onder Bolingbroke.

WESTMORELAND. Gij spreekt, Lord Mowbray thans gij weet niet wat.

De graaf van Hereford stond toen bij een elk

Als Englands dapperste edelman bekend;

Wie weet dus, wien Fortuin daar toe zou lachen!

En had uw vader daar gezegepraald,

Wis, Coventry waar' 't graf zijns roems geweest;

Want als eenstemmig had voor hèm heel 't land

Een kreet van haat; al hun gebed, hun liefde

Was Hereford toegewijd; die werd vergood,

Gezegend, hoog vereerd, meer dan de koning.

Doch hiermeê dwaal ik van mijn doelwit af.

Ik kom uit naam mijns hoogen veldheers hooren,

Wat uwe grieven zijn; en zijne hoogheid

Zegt u door mij gehoor toe; en zoo verre

Uw eischen billijk blijken, worden ze u

In gunst verleend, en alles wordt vergeten,

Wat aan uw vijandschap herinn'ren kan.

MOWBRAY. Hij noopte ons zelf, dit aanbod af te dwingen;

Bereek'ning slechts, geen liefde geeft het in.

WESTMORELAND. Mowbray, het is laatdunkend dit te meenen;

Geen vrees biedt dit u aan, genade alleen.

Want zie, ginds ligt voor uwen blik ons leger,

Dat, op mijn eer, vol zelfvertrouwen is,

Te veel, om zelfs een zweem van vrees te voeden.

Ons leger telt meer namen dan het uwe,

Meer oef'ning hebben de onzen; onze waap'ning

Is even goed, en beter onze zaak;

En onze moed, het spreekt van zelf, niet minder;

Daarom, spreek bij ons aanbod niet van vrees.

MOWBRAY. Nu, hoort men mij, dan wordt niet onderhandeld.

WESTMORELAND. Dit tuigt slechts van de schendigheid uws doens;

Een etterbuil laat geen betasting toe.

HASTINGS. En heeft prins John een algeheele volmacht,

Door onbepaalde machtiging zijns vaders,

Om aan te hooren, en op ieder punt,

Door ons gevorderd, afdoend te beslissen?

WESTMORELAND. Dit ligt reeds in den naam van generaal;

'k Verbaas mij over zulk een ijd'le vraag.

AARTSBISSCHOP. Neem dan, mylord van Westmoreland, dit stuk,

Dat kort ons aller grieven samenvat.

Zoo iedre klacht hiervan herstel verwerft,

Al onze medestanders, hier en elders,

Die aan dit werk zich hebben toegewijd,

Vrijspraak erlangen door een wettig stuk,

En spoedige vervulling onzer wenschen

Aan ons en aan ons doel verzekerd wordt,

Dan keeren we in des eerbieds bedding weer

En boeien onze macht in de' arm des vredes.

WESTMORELAND. 'k Zal dit den veldheer toonen. Laat ons, heeren,

Ten overstaan der legers samenkomen;

En brengen we, als God wil, den vreê tot stand!

Of roepen we onze zwaarden op ter kampplaats,

Dat zij alsdan beslissen.

AARTSBISSCHOP. 't Zij zoo, heer.

(Westmoreland af.)

Er is iets in mijn boezem, dat mij zegt,

Dat geen verdrag van vrede stand zal houden.

HASTINGS. Vrees dit geenszins! Gelukt het ons den vrede

Zoo hecht te vesten op zoo breeden grondslag,

Als die, waar onze vord'ring zich aan houdt,

Dan is de vrede onwrikbaar als een rots.

MOWBRAY. Ja, maar wij zullen zoo gewogen worden,

Dat iedre minste, valsch begrepen oorzaak,

Ja, iedere ijd'le, kleine, dwaze grond

Den koning naar deze' opstand smaken zal.

Men zal ons, zelfs al maakte ons onze trouw

Tot mart'laars, wannen met zoo ruwen wind,

Dat ook ons koren licht als kaf zal schijnen,

En 't goede en 't kwade niet gescheiden wordt.

AARTSBISSCHOP. Neen, neen, mylord. Bedenk: de koning is

Dat vergezocht, spitsvondig wrokken moe;

Hem bleek: wie ééne vrees door dood verdrijft,

Verwekt twee grootere in de levende erven.

Daarom wischt hij zijn tafels gaarne schoon,

En houdt geen klapper aan voor zijn geheugen,

Die telkens hem op nieuw zijn leed vertelt

Tot versche erinn'ring; want hij weet zeer wel,

Dat hij dit land zoo schoon niet wieden kan,

Als hem zijn argwaan telkens zou doen wenschen;

En vriend en vijand wort'len zoo dooreen,

Dat, als hij éénen vijand uit wil trekken,

Hij ook een vriend schier rooit en wagg'len doet,

Zoodat dit land,--als een weerbarstig wijf,--

Wanneer hij dreigt, zijn kind hem tegenhoudt,

En zóó de voorgenomen tuchtiging

Doet zweven in den opgeheven arm.

HASTINGS. Ook heeft de koning al zijn roeden reeds

Aan vorige overtreders opgebruikt,

Zoodat hem nu geen werktuig rest ter straffe,

En, als een klauwenlooze leeuw, zijn macht

Wel dreigen, maar niet pakken kan.

AARTSBISSCHOP. Zeer waar;

En daarom, wees verzekerd, goede maarschalk,

Komt de verzoening goed tot stand, dan wordt

De vrede, als een geheeld gebroken lid,

Juist door de breuk versterkt.

MOWBRAY. Het zij dan zoo.

Daar is mylord van Westmoreland terug.

(Westmoreland komt weder op.)

WESTMORELAND. De prins is daar, behaagt het u, mylord,

Halfweg van beide legers hem te ontmoeten?

MOWBRAY. Nu, heer aartsbisschop, kom dan in Gods naam!

AARTSBISSCHOP. Groet gij zijn hoogheid eerst, mylord; wij volgen.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Vierde · 第 62 / 79 题