TWEEDE TOONEEL.

Plein voor het huis van den vrederechter Zielig in Glostershire.

Zielig en Stil komen op, van verschillenden kant. Schimmelig, Schaduw,

Wrat, Slap en Bulkalf, benevens Bedienden, op den achtergrond.

ZIELIG. Welzoo, welzoo, welzoo, man; geef mij de hand, man! geef mij

de hand, man; vroeg op het pad, bij mijn ziel. En hoe maakt het mijn

goede neef Stil?

STIL. Goeden morgen, goede neef Zielig!

ZIELIG. En hoe maakt het mijn nicht, uw echtgenoot? en onze

allerliefste dochter, mijn petekind Lena?

STIL. Ach, een zwarte merel, neef Zielig.

ZIELIG. Bij ja en neen, neef, ik durf wedden, dat mijn neef Willem

een goed studiosus is geworden. Hij is nog te Oxford, niet waar?

STIL. Zeker; hij kost mij geld.

ZIELIG. Dan moet hij binnenkort naar de gerechtshoven. Ik ben

indertijd bij het Sint-Clemenshof geweest; ze zullen daar, denk ik,

nog wel van den dollen Zielig spreken.

STIL. Gij werdt toen de vroolijke Zielig genoemd, neef.

ZIELIG. Bij het sacrament, ik werd van alles genoemd; en ik zou ook van

alles gedaan hebben, waarachtig, en zonder bedenken ook. Daar was ìk,

en de kleine Jan Duit uit Staffordshire, en de zwarte George Kaal, en

Frans Pikkebeen, en Willem Kwaak uit Cotswold; vier zulke kemphanen

zijn er sedert bij alle gerechtshoven samen niet geweest, en,--dit

wil ik u wel zeggen,--wij wisten, waar er willige waar te vinden was

en hadden altijd de besten er van tot onze beschikking. Daar was ook

Hans Falstaff, nu Sir John, een jonge borst en page van Thomas Mowbray,

hertog van Norfolk.

STIL. Diezelfde Sir John, neef, die nu om soldaten hier naar toe komt?

ZIELIG. Dezelfde Sir John, ja, dezelfde. Ik heb hem Skogan aan

den ingang van ons gerechtshof een gat in 't hoofd zien slaan,

toen hij nog een bengel was, niet zóó hoog; en dien eigen dag vocht

ik met een zekeren Simson Stokvisch, een fruitkooper, achter Gray's

gerechtshof. Jezus, Jezus! wat dolle dagen heb ik daar doorgebracht! En

als ik nu zie, hoe veel oude kennissen er al dood zijn!

STIL. Wij zullen allen volgen, neef.

ZIELIG. Zeker, 't is zeker; dat zegt ge wel, dat zegt ge wel; de dood,

zegt de Psalmist, is het deel van allen; allen moeten sterven.--Hoe

veel deed een goed juk ossen op de Stamfordermarkt?

STIL. Om de waarheid te zeggen, neef, ik ben er niet geweest.

ZIELIG. De dood komt zeker. Is de oude Dubbel daar bij u in de stad

nog in leven?

STIL. Dood, neef.

ZIELIG. Jezus, Jezus, dood!--Hij spande een goeden boog;--en dood!--hij

schoot een mooi schot;--Jan van Gent mocht hem graag lijden en hield

altijd veel geld op zijn hoofd. Dood!--Op twee honderd-en-veertig

el trof hij het wit en dreef je een puikbesten pijl wel tot twee

honderd-en-tachtig of ook wel negentig, dat het iemands hart goed

deed het te zien.--Hoeveel doet het dozijn schapen tegenwoordig?

STIL. Al naar dat ze zijn. Een dozijn goede schapen zal zijn tien

pond wel waard zijn.

ZIELIG. En is de oude Dubbel dood?

(Bardolf komt op, van een Makker vergezeld.)

STIL. Daar komen, denk ik, twee van Sir John Falstaff's mannen aan.

BARDOLF. Goeden morgen, edele heeren! Ik bid u, wie is hier de

vrederechter Zielig?

ZIELIG. Ik ben Robert Zielig, heer, een arm grondeigenaar in dit

graafschap, en een van 's konings vrederechters. Wat is er van

uw dienst?

BARDOLF. Mijn hopman laat u groeten, heer; mijn hopman, Sir John

Falstaff; een geweldig ridder, bij den hemel, en een recht dapper

aanvoerder.

ZIELIG. Mijn dank voor zijn groet, heer; ik heb hem gekend, een

goede houwdegen. Hoe gaat het den goeden ridder? en mag ik vragen,

hoe gaat het mevrouw zijn gemalin?

BARDOLF. Neem niet kwalijk, heer; een soldaat is beter geaccommodeerd

dan met een vrouw.

ZIELIG. Goed gezegd, heer, waarachtig! ja, en inderdaad ook 't is

goed gezegd. "Beter geaccommodeerd!"--zeer goed; ja, inderdaad, dat

is het; goede phrasen, waarachtig, zijn en waren van oudsher zeer te

recommandeeren. Geaccommodeerd! het komt van accommodo; zeer goed;

een goede phrase!

BARDOLF. Neem me niet kwalijk, heer; ik heb het woord van hooren

zeggen. Phrase noemt gij het? Bij den hemel, de phrase ken ik niet;

maar het woord wil ik met mijn zwaard volhouden, dat het een goed

soldatenwoord is, en een uitmuntend goed woord om te commandeeren, ja

waarachtig! Geaccommodeerd; dat is, als een mensch, om zoo te zeggen,

geaccommodeerd is; of, als een mensch is,--zoo is,--waardoor,--dat

men hem voor geaccommodeerd mag houden; wat een heerlijk ding is.

(Falstaff komt op.)

ZIELIG. Dat is zeer waar.--Zie, daar komt de goede Sir John.--Geef

mij uw waarde hand, geef mij uw edelheids waarde hand. Op mijn woord,

gij ziet er goed uit en draagt uw jaren zeer goed; welkom hier,

goede Sir John.

FALSTAFF. Ik ben verheugd u wel te zien, mijn goede heer Robert

Zielig.--De heer Troef, als ik wel heb?

ZIELIG. Neen, Sir John, het is mijn neef Stil, mijn ambtgenoot.

FALSTAFF. Waarde heer Stil, het is recht goed geschikt, dat gij

vrederechter zijt.

STIL. Uw edelheid is welkom.

FALSTAFF. Foei! welk een heet weer!--Heeren, hebt gij mij hier een

half dozijn geschikte manschappen bezorgd?

ZIELIG. Zeker, dat hebben wij, heer. Wilt gij niet gaan zitten?

104

FALSTAFF. Wees zoo goed en laat ze mij zien.

(Zij gaan zitten.)

ZIELIG. Waar is de lijst? waar is de lijst? waar is de lijst?--Laat

zien, laat zien, laat zien;--ja, zoo, zoo, zoo, zoo.--Ja, klaar,

heer:--Dolf Schimmelig!--Die ik oproep, moeten vooruitkomen, ja,

dat moeten zij, dat moeten zij.--Laat zien; waar is Schimmelig?

SCHIMMELIG. Hier, tot uw dienst.

ZIELIG. Wat dunkt u, Sir John? een goedgebouwde knaap, jong, sterk

en van goede komaf.

FALSTAFF. Is je naam Schimmelig?

SCHIMMELIG. Ja, tot uw dienst.

FALSTAFF. Des te meer wordt het tijd om je te gebruiken.

ZIELIG. Ha ha ha! voortreffelijk, op mijn eer! wat schimmelig is,

moet gebruikt worden; bijzonder, bijzonder goed!--Op mijn eer, goed

gezegd, Sir John, zeer goed gezegd!

FALSTAFF. Schrap hem aan.

SCHIMMELIG. Als gij mij met vrede hadt willen laten, moest ik mijzelf

toch al schrap genoeg zetten; nu zal mijn oudje erg in den brand

zitten, om iemand, die haar brouwerij en al haar gedoe bezorgt. Gij

hadt mij niet behoeven aan te schrappen; er zijn andere lui genoeg

om uit te trekken, vrij wat geschikter dan ik.

FALSTAFF. Kom, kom, stil, Schimmelig! je moet mee, Schimmelig; het

is tijd, dat je verbruikt wordt.

SCHIMMELIG. Verbruikt!

ZIELIG. Stil, kerel, stil! ga ter zijde! Weet je wel, waar je bent?--Nu

de anderen, Sir John;--laat zien:--Simon Schaduw!

FALSTAFF. O ja, dien wil ik hebben om er onder te zitten; hij zal

wel een koel soldaat wezen.

ZIELIG. Waar is Schaduw?

SCHADUW. Hier, heer.

FALSTAFF. Schaduw, wiens zoon ben je?

SCHADUW. Mijn moeders zoon, heer.

FALSTAFF. Je moeders zoon? Wel denkelijk; en je vaders schaduw. Zoo

is de zoon van de vrouw de schaduw van den man; het is dikwijls zoo,

inderdaad, met niet veel van des vaders zelfstandigheid.

ZIELIG. Bevalt hij u, Sir John?

FALSTAFF. Schaduw is goed voor den zomer,--schrap hem aan, want wij

hebben schaduwen in menigte om de monsterrol te vullen.

ZIELIG. Thomas Wrat.

FALSTAFF. Waar is hij?

WRAT. Hier, heer.

FALSTAFF. Is je naam Wrat?

WRAT. Ja, heer.

FALSTAFF. Je bent een recht voddige wrat.

ZIELIG. Zal ik hem aanschrappen, Sir John?

FALSTAFF. Dat zou overbodig wezen, zijn kleeding zit in rafels op

zijn rug, daar valt niet meer te schrappen; en het geheele kereltje

staat op twee schrappen; daarom geen schrap meer.

ZIELIG. Ha, ha, ha!--gij hebt er slag van, Sir John; gij hebt er slag

van, dat moet ik u nageven.--Frans Slap!

SLAP. Hier, heer.

FALSTAFF. Wat ben je van je ambacht, Slap?

SLAP. Een vrouwensnijder, heer.

ZIELIG. Zal ik hem aanschrappen, heer?

FALSTAFF. Dat kunt gij doen, maar als hij een manssnijder geweest was,

zou hij u geschrapt hebben.--Zul je zoo veel gaten maken in de rijen

van den vijand, als je er in vrouwenrokken hebt gemaakt?

SLAP. Ik zal mijn best doen, heer; meer kunt gij niet verlangen.

FALSTAFF. Goed zoo, goede vrouwensnijder; goed zoo, moedige Slap! Je

zult zoo dapper wezen als de vertoornde duif of de heldhaftigste

muis.--Geef den vrouwensnijder een flinke schrap, mijnheer Zielig,--een

flinke krab, mijnheer Zielig!

SLAP. Ik wenschte, dat Wrat ook medeging, heer.

FALSTAFF. Ik wenschte, datje een manssnijder waart, en hem kondt

oplappen, en hem geschikt maken om te gaan. Ik kan hèm niet tot

eenvoudig soldaat maken, die er zoo veel duizenden op nahoudt; laat

dit je sufficient zijn, allergeweldigste Slap.

SLAP. Het zal sufficient zijn, heer.

FALSTAFF. Ik ben je zeer verplicht, eerwaardige Slap.--Wie volgt?

ZIELIG. Pieter Bulkalf uit den polder!

FALSTAFF. Ja, komaan, laat ons Bulkalf zien.

BULKALF. Hier, heer.

FALSTAFF. Bij God, een kloeke kerel!--Kom, schrap Bulkalf flink aan,

tot hij terugbrult.

Koning Hendrik de Vierde · 第 59 / 79 题