BULKALF. O Jezus! genadige heer hopman,--

FALSTAFF. Wat! brul je, voor je een schrap hebt?

BULKALF. O Jezus, heer! ik ben een ziek mensch.

FALSTAFF. Wat voor een ziekte heb je?

BULKALF. Een ellendige verkoudheid, heer; een hoest, heer, dien

ik gekregen heb van het klokkeluiden in 's konings dienst, op zijn

kroningsdag.

FALSTAFF. Kom, dan moet je in een wollen borstrok te velde trekken;

wij zullen je die koû wel uitdrijven en ik zal er voor zorgen, dat

je vrienden voor je zullen luiden.--Is dat alles?

ZIELIG. Er zijn er al twee boven uw getal opgeroepen; gij moet er

hier maar vier hebben, Sir;--en dus vraag ik u, ga met mij in huis

en blijf er eten.

FALSTAFF. Nu, ik wil wat met u gaan drinken, maar voor eten heb ik

geen tijd. Ik ben blijde u te zien, op mijn woord, mijnheer Zielig.

ZIELIG. O Sir John, heugt het u nog, hoe wij de geheele nacht in den

windmolen op het Sint-Jorisveld lagen?

FALSTAFF. Zwijgen wij daarvan, beste heer Zielig, zwijgen wij daarvan.

ZIELIG. Ha, dat was een vroolijke nacht! En is Hanna Nachtwerk nog

in leven?

FALSTAFF. Ja, ze leeft nog, vriend Zielig.

ZIELIG. Zij kon nooit met mij overweg.

FALSTAFF. Nooit, nooit; ze plach altijd te zeggen, dat zij dien

mijnheer Zielig niet uit kon staan.

ZIELIG. Sakrement, ik kon haar plagen om dol te worden. Ze was toen

een aardige deerne. Houdt ze zich nog goed?

FALSTAFF. Oud, oud, vriend Zielig.

ZIELIG. Ja, oud moet ze zijn; ze kan niet anders dan oud zijn; zeker

is zij oud; ze had Hansje Nachtwerk al bij den ouden Nachtwerk,

voor ik aan Sint-Clemenshof kwam.

STIL. Dat is vijf en vijftig jaar geleden.

ZIELIG. O neef Stil, hadt gij eens gezien, wat deze ridder en ik

hebben gezien!--Zeg, Sir John, heb ik geen gelijk?

FALSTAFF. We hebben de klokken te middernacht hooren spelen, vriend

Zielig.

ZIELIG. Dat hebben we, dat hebben we, dat hebben we; waarachtig, Sir

John, dat hebben we. Ons wachtwoord was: "vooruit, jongens!"--Komt,

gaan wij aan tafel; komt, gaan wij aan tafel! O, die dagen, die wij

gezien hebben! komt, komt!

(Falstaff, Zielig en Stil af.)

BULKALF. Lieve heer koppraal Bardolf, doe een goed woord voor me;

en daar zijn vier tien-schellings-Hendriken in Fransche kronen voor

u. 't Is de zuivere waarheid, heer, ik liet me even lief hangen, heer,

als dat ik meega; en toch, van mijn kant, heer, geef ik er niet om;

maar vooral omdat ik er geen lust in heb en van mijn kant verlang

bij mijn vrienden te blijven; anders, heer, zou ik er van mijn kant

zooveel niet om geven.

BARDOLF. Goed, ga daar ter zijde.

SCHIMMELIG. En, lieve heer korporaal hopman, ter wille van mijn oudje,

doe een goed woord voor mij. Ze heeft niemand te huis, die haar helpt,

als ik weg ben; en zij is oud en kan zichzelve niet helpen. Gij zult

veertig schellingen hebben, heer.

BARDOLF. Goed, ga daar ter zijde.

SLAP. Op mijn woord, ik geef er niet om; een mensch kan maar eens

sterven;--wij zijn God een dood schuldig. Ik zal nooit lafhartig

wezen. Is het mijn lot, goed; is het mijn lot niet, ook goed. Geen

mensch is te goed om zijn vorst te dienen; en laat het gaan, zoo als

't wil; wie dit jaar sterft, is er voor 't volgende van af.

BARDOLF. Goed gezegd! je bent een brave kerel.

SLAP. Waarachtig, ik zal niet lafhartig wezen.

(Falstaff en de Vrederechters komen terug.)

FALSTAFF. Nu, heer, welke mannen moet ik hebben?

ZIELIG. Vier, naar uw eigen verkiezing.

BARDOLF (zacht tot Falstaff). Een woordje, heer.--Ik heb drie pond

om Schimmelig en Bulkalf vrij te laten.

FALSTAFF. Goed! best!

ZIELIG. Kom, Sir John, welke vier wilt gij hebben?

FALSTAFF. Kies gij voor mij.

ZIELIG. Nu dan: Schimmelig, Bulkalf, Slap en Schaduw.

FALSTAFF. Schimmelig en Bulkalf;--jij, Schimmelig, blijf te huis, tot

je voor den dienst niet meer deugt;--en jij, Bulkalf, groei nog wat,

tot je er voor geschikt zijt; ik wil geen van je tweeën hebben.

ZIELIG. Sir John, Sir John, gij doet uzelf schade; zij zijn uw knapste

manschappen en ik zou u gaarne met de besten bediend hebben.

FALSTAFF. Wilt gij mij leeren, mijnheer Zielig, hoe ik een soldaat

moet uitzoeken? Vraag ik naar de ledematen, de spieren, de lengte,

de dikte, het forsch voorkomen van een man? Geest verlang ik,

mijnheer Zielig.--Daar hebt ge Wrat; gij ziet, wat een armzalig

voorkomen hij heeft; maar hij zal je laden en vuren op de maat

van een tinnegietershamer, af- en aanloopen, vlugger dan een, die

de brouwersemmers aan de putgalg hangt. En daar dien kerel met dat

halve gezicht, dien Schaduw;--die man moet ik hebben; hij geeft den

tegenstander geen mikpunt; de vijand kan met evenveel kans aanleggen

op de snede van een pennemes. En, op een terugtocht,--hoe vlug zal die

Slap, de vrouwenkleermaker, wegloopen! O, geef mij die magere lui en

houd de zware voor uzelf.--Geef aan Wrat een handbus, Bardolf.

BARDOLF. Hier, Wrat. Opgemarcheerd! Zoo,--zoo,--zoo!

FALSTAFF. Kom, hanteer mij je vuurroer eens. Zoo;--zeer wel;--ga

voort;--zeer goed;--uitstekend goed.--O niets beter dan zulk een

kleine, magere, oude, rimpelige, kale schutter!--Goed gedaan, Wrat,

waarachtig; je bent een brave schobbejak; hier, daar heb je een

halven schelling.

ZIELIG. Hij is nog geen meester in het handwerk, hij doet het

nog niet goed. Ik herinner mij nog van het schuttersfeest op de

Vogelweide,--toen ik nog aan het Clemenshof was,--ik was toen de

hofnar in den Koning-Arthurs-optocht,--toen was daar een klein kittig

kereltje; en hij ging met zijn vuurroer om,--zóó; en dan maakte hij

rechtsom; en dan weer rechtsomkeert; "pif, paf!" zeide hij; "bom",

zeide hij; en dan was hij weer weg, en dan was hij weer terug;--zulk

een kerel zie ik van mijn leven niet weer.

FALSTAFF. Deze manschappen kunnen dienen, mijnheer Zielig.--God

zegen' u, mijnheer Stil; ik wil niet veel woorden met u zoek

brengen.--Vaartwel, heeren, alle beiden; ik heb vanavond nog vier

uur afstands voor de borst.--Bardolf, steek de soldaten in het pak.

ZIELIG. Sir John, God zegen' u, en de Hemel schenke u voorspoed in uw

zaken, en geve ons vrede! Als gij terugkomt, bezoek dan mijn huis. Laat

ons de oude kennis hernieuwen; misschien ga ik met u naar het hof.

FALSTAFF. Bij God, ik wenschte, dat gij het deedt, heer Zielig.

ZIELIG. Laat maar; een man, een woord. Vaarwel.

FALSTAFF. Vaartwel, heerlijke heeren.--(Zielig en Stil

af.)--Voorwaarts, Bardolf, geleid de manschappen weg. (Bardolf, de

Recruten enz. af.) Als ik terugkom, zal ik deze vrederechters villen;

dien vrederechter Zielig zie ik door en door. Heere, Heere, wat zijn

wij oude menschen met de ondeugd van het liegen behept! Deze zelfde

uitgehongerde vrederechter heeft niets gedaan dan van de woestheid

van zijn jeugd praten, en van de heldenstukken, die hij in de

Turnbullstraat heeft uitgevoerd, en elk derde woord is een leugen,

trouwer aan den toehoorder uitbetaald dan de zeerooversschatting

aan den grooten Turk. Hij staat mij nog voor van Clemenshof, als een

kerel, zooals men na tafel van kaaskorstjes snijdt; als hij naakt was,

geleek hij sprekend op een gespleten radijs, waar men met een mes een

malle tronie op gesneden heeft; hij was zoo uitgemergeld, dat zijn

lengte en breedte aan ieder eenigszins zwak gezicht ontsnapten; hij

was de echte genius van den honger; en toch zoo bronstig als een aap,

en de hoeren noemden hem het alruintje. Hij kwam altijd een paar modes

achteraan en zong aan de afgeranselde vrouwmenschen de deuntjes voor,

die hij van karrelieden had hooren fluiten, en zwoer dan, dat het zijn

eigen minneliederen of nachtgroeten waren. En nu is die zotskolf een

landheer geworden en spreekt zoo gemeenzaam van Jan van Gent, alsof

hij broederschap met hem gedronken had; en ik durf zweren, dat hij

hem nooit gezien heeft, dan eens op het tornooiveld; en toen sloeg

hem die een gat in 't hoofd, omdat hij zich tusschen de dienaars van

den maarschalk indrong. Ik zag het, en zeide tegen Jan van Gent, dat

zijn stok een anderen stok ranselde; want men had hem en zijn heelen

om- en bijhang in een aalshuid kunnen stoppen; het foedraal van een

hobo was een woonhuis, een hof voor hem; en nu heeft hij landerijen

en vee. Nu, als ik terugkom, zal ik de kennis met hem aanknoopen, en

het moet al vreemd loopen, als ik van hem niet twee steenen der wijzen

voor mij maak. Als de jonge voren een hapje is voor een ouden snoek,

dan zie ik naar het natuurrecht geen reden, waarom ik niet naar hem

zou mogen happen. Komt tijd, komt raad,--en daarmee uit.

(Af.)

Koning Hendrik de Vierde · 第 60 / 79 题