Een kamer in het paleis.
Koning Hendrik komt op, in huisgewaad, met een Page.
KONING HENDRIK. Ga, roep de lords van Surrey en van Warwick;
Maar zeg hun, eer zij komen, dezen brief
Aandachtig te overwegen. Ga, maak spoed!--
(De Page af.)
Hoe vele duizend need'rige onderdanen
Zijn thans in slaap!--O slaap, o zoete slaap!
Natuurs verpleger, hoe dreef ik u heen,
Dat gij mijn oogleên niet bezwaren wilt,
Mijn zinnen domp'len in vergetelheid?
Waarom, o slaap, ligt ge in den rook van stulpen,
En strekt ge u liever uit op prikk'lig stroo,
Door 't nachtgegons van vliegen ingedommeld,
Dan in der grooten zoetdoorgeurd vertrek,
Door rijke kostb're hemels overwelfd,
En ingesust door zoete melodieën?
O dommelgod, waarom ligt gij bij beed'laars
In 't walglijk bed, en schuwt des konings sponde,
Alsof ze een wacht- of stormklokhuisje waar'?
Verzegelt ge op een zwiepend hooge mast
Des jongen scheep'lings oog, en wiegt zijn brein
In 't schommelbed der woeste, trotsche branding,
En midden in de werv'ling van den storm,
Die bij de kuif de woeste baren pakt,
Haar reuzenkoppen kroest en met verdoovend
Gebrul die ophangt in het druipend zwerk,
Zoodat de dood zelfs van 't geraas ontwaakt?
Verleent ge, o slaap, partijdig den doornatten
Scheepsjongen in zoo schrikk'lijk uur uw rust,
En weigert ge in de stilste, kalmste nacht,
Bij alle hulp en midd'len, haar een koning?
Zoo vlij u neer, benijdb're dorperszoon!
Hard ligt het hoofd, omsloten door een kroon.
(Warwick en Surrey komen op.)
WARWICK. Uw majesteit, een schat van goede morgens!
KONING HENDRIK. Is 't goede morgen, lords?
WARWICK. 't Is over éénen.
KONING HENDRIK. U beiden goeden morgen dan, mylords!
Hebt gij den brief gelezen, dien ik zond?
WARWICK. Wij deden 't, heer en vorst.
KONING HENDRIK. Dan weet gij, hoe het lichaam onzes rijks
Zwaar krank is, en hoe weeldrig booze kwalen
Er woek'ren, dicht bij 't hart, tot groot gevaar.
WARWICK. Het is slechts als een lichaam, dat onwel is,
Maar dat tot vroeg're kracht herstellen kan,
Door goeden raad en luttel artsenij.
Mylord Northumberland zal dra verkoeld zijn.
KONING HENDRIK. God! kon een mensch in 't boek van 't noodlot lezen,
Aanschouwen, hoe der tijden ommezwaai
De bergen effent, hoe het vaste land,
Zijn hechte vastheid moede, in zee vervloeit;--
Zag hij op and'ren tijd des oceaans
Omgordende' oever voor Neptunus' heupen
Te wijd geworden;--hoe het toeval spot,
En omkeer staâg der wiss'ling beker vult
Met and're dranken! O, zag iemand dit,
De blijdste jong'ling--zóó zijn weg aanschouwend,
Doorstaan gevaar en nog te lijden nood,--
Hij sloot het boek en zette zich tot sterven.
Tien jaren zijn 't nog niet,
Sinds Richard en Northumberland slampampten
Als groote vrienden; en geen twee jaar later
Bestreden zij elkaâr. Acht jaar slechts zijn 't,
Dat deze Percy, toen mijns boezems vriend,
Gelijk een broeder sloofde in mijn belang,
En liefde en leven aan mijn voeten leide,
Ja, Richard in 't gezicht om mijnentwil
Trotseerde. Doch,--wie uwer was er bij?--
Als ik mij wel herinner, gij neef Nevil--
Dat Richard, 't oog van tranen overstelpt,
Wijl hem Northumberland beschimpte en gispte,
De woorden sprak, die nu profetisch blijken:
"Northumberland, gij ladder, waar mijn neef,
Waar Bolingbroke mijn troon nu mee bestijgt,"--
Schoon ik, God weet het! zulk een plan niet voedde;
Noodzaak'lijkheid slechts boog den staat zoo neêr,
Dat ik de grootheid was verplicht te kussen;--
"Eens komt de tijd," zoo voer hij voort, "hij komt,
Dat booze zonde rijpt, en zich verzaam'len
En openbreken zal;"--toen sprak hij verder,
En spelde heel den toestand dezes tijds,
En ook uitdrukk'lijk onze vriendschapsbreuk.
WARWICK. Elk menschenleven is als een geschied'nis,
Die de natuur des dooden tijds weerspiegelt;
Wie goed haar nagaat, profeteert allicht,
Met scherpen blik, het hoofdverloop der dingen,
Die nog niet leven, maar die in hun zaad
En zwakken oorsprong weggeborgen rusten;
De tijd broedt ze uit en kweekt ze verder op;--
En daar noodwendig volgen moet wat volgt,
Kon koning Richard 't wis vermoeden vormen,
Dat deze groote graaf, valsch jegens hem,
Ontkiemend, groeien zou tot grooter valschheid,
Die nergens grond ter wort'ling vinden zou,
Dan juist bij u.
KONING HENDRIK. Zijn deze dingen noodzaak?
Dàn haar bejegend, als men noodzaak doet!
En nu juist roept ditzelfde woord ons op:
De bisschop en Northumberland, zoo zegt men,
Zijn vijftigduizend sterk.
WARWICK. Dit kan niet zijn, mijn vorst,
't Gerucht verdubbelt, als de stem der echo,
Het tal van wie men ducht.--Ik smeek uw hoogheid,
Leg u ter ruste; bij mijn leven, heer,
De macht, die gij alreeds hebt afgezonden,
Brengt zeer gemakk'lijk dezen buit u aan.
Tot meerder troost nog dit: ik heb vernomen,
En zeker, dat Glendower gestorven is.
Gij zijt, mijn vorst, nu veertien dagen krank,
En zulk ontijdig waken moet volstrekt
Uw ziekte doen vererg'ren.
KONING HENDRIK. 'k Volg uw raad;
En ware reeds dit oproer overmand,
Wij trokken, waarde lords, naar 't heilig land.
(Allen af.)