Londen. Een vertrek in de herberg "Het Zwijnshoofd", in Eastcheap.
Twee Tapperknechts komen op.
EERSTE TAPPERSKNECHT. Wat duivel heb je daar gebracht? pippelingen? Je
weet, dat Sir John geen pippelingen kan uitstaan.
TWEEDE TAPPERSKNECHT. Sakrement, dat is waar ook. De Prins zette eens
een schotel met pippelingen voor hem neer, met het zeggen, dat daar
nog vijf andere pippelingen waren; en, terwijl hij zijn hoed afnam,
zeide hij: "ik neem hiermede afscheid van deze zes droge, ronde,
oude, gerimpelde pippelingen". Het ergerde hem in zijn ziel, maar
hij is het nu wel weer vergeten.
EERSTE TAPPERSKNECHT. Nu, dek dan maar, en zet ze neer; en zie, of
je Sluipert zijn muziektroep vinden kunt; juffrouw Scheurlaken wilde
graag wat muziek hebben. Maak voort; de kamer, waar ze gegeten hebben,
is snikheet; ze komen zoo dadelijk hier naar toe.
TWEEDE TAPPERSKNECHT. Kerel, straks komt de Prins hier en Sinjeur
Poins, en zij willen twee van onze kielen en schorten aandoen en Sir
John moet er niets van weten; Bardolf heeft de boodschap gebracht.
120
EERSTE TAPPERSKNECHT. Sakrement, dat zal een ouwerwetsche grap zijn;
het zal een heerlijke hinderlaag wezen.
TWEEDE TAPPERSKNECHT. Ik ga zien, of ik Sluipert vinden kan.
(Tweede Tappersknecht af.)
(De Waardin en Doortje Scheurlaken komen op.)
WAARDIN. Waarachtig, mijn hartje, mij dunkt, je bent nu in een
overheerlijke temperamentuur, je pols slaat zoo innorm, als het hart
maar kan wenschen, en je kleur, ik verzeker je, is zoo rood als er één
roos is; maar wezenlijk, je hebt wat veel kanariesek gedronken en dat
is een wonderlijk opzetterige wijn en die gaat in het bloed zitten,
eer men zeggen kan: "wat is dat?"--Hoe gaat het je nu?
DOORTJE. Beter dan straks, hum!
WAARDIN. Nu, dàt doet goed. Een gezond hart is goud waard. Zie,
daar komt Sir John aan.
(Falstaff komt op, zingend.)
FALSTAFF. "Toen Arthur pas ten hove kwam",--Gooi den nachtspiegel
uit!--
(Eerste Tappersknecht af.)
"En een wakker koning was",--
Hoe gaat het, juffer Doortje?
WAARDIN. Ze is niet wel; zij is schrikkelijk gecalmeerd, ja waarachtig.
FALSTAFF. Zoo zijn alle vrouwen, als zij eerst gecalmeerd zijn,
worden zij ziek.
DOORTJE. Jij vette modderschelm, is dat al de troost, dien je mij
geeft?
FALSTAFF. Jij sleept ons door de modder, juffer Doortje.
DOORTJE. Doe ìk dat? Slemperij en ziekten doen dat, ik niet.
FALSTAFF. Als de kok ons aan het slempen helpt, dan help jullie ons
aan de ziekte, Doortje; wij nemen wat van jullie mee; erken dat,
lieve maagd, erken dat.
DOORTJE. Nu, zeker, onze kettingen en juweelen.
FALSTAFF. Ja "robijnen en karbonkels";--want je weet, wie wakker
dient, komt hinkend thuis; dapper uit de bres met gevelde piek en
dapper naar den heelmeester; dapper op de geladen kanonnen af,--
DOORTJE. Laat je hangen, jij modderaal, laat je hangen!
WAARDIN. Op mijn woord, het oude liedje, jullie tweeën komt niet bij
elkaâr, of je hebt het aan den stok. Jullie beiden bent waarachtig zoo
raspig als twee sneden geroosterd brood; de een kan de confirmiteiten
van den ander niet verdragen. Wel lieve tijd, een van beiden moet
dragen en (Tot Doortje.) dat moet jij zijn; jij bent het zwakke vat,
om zoo te zeggen, het leêge vat.
DOORTJE. Kan een zwak, leêg vat zulk een reusachtig, vol okshoofd
dragen? Hij heeft een geheele Bordeauxlading in 't lijf; geen
scheepsruim kan beter volgestuwd zijn.--Kom, ik wil goede vrienden met
je zijn, Hans; je trekt in den oorlog; en of ik je ooit weer zien zal,
daar bekommert zich geen sterveling om.
(De Tappersknecht komt weer op.)
TAPPERSKNECHT. Heer, vaandrig Pistool is beneden en wil u spreken.
DOORTJE. Naar de galg met dien schoft van een blaaskaak! laat hem niet
binnenkomen; hij zet den grootsten schurkenmond op in heel Engeland.
WAARDIN. Als hij een blaaskaak is, laat hem dan niet binnen; neen, bij
mijn ziel niet; ik moet met mijn buren leven; ik moet van blaaskaken
niets hebben. Ik sta te goeder naam en faam bij de beste luî.--Sluit
de deur toe;--hier komen geen blaaskaken binnen. Ik ben niet zoo oud
geworden, om hier nu leven te hebben.--Doe de deur toe, bid ik je.
FALSTAFF. Wil je hooren, waardin?
WAARDIN. Ik bid u, houd uw gemak, Sir John! blaaskaken komen hier
niet binnen.
FALSTAFF. Maar hoor dan toch; het is mijn vaandrig.
WAARDIN. Larifari, Sir John, spreek er mij niet van; uw
vaandrig-blaaskaak komt mijn deur niet in. Voor een dag of wat was
ik bij den heer Spichtig, den heer van de buurt; en die zeide,--het
is niet langer dan verleden Woensdag,--"Buurvrouw Haastig", zeide
hij; onze heeroom Stom was er ook bij;--"Buurvrouw Haastig", zei hij,
"neem alleen fatsoenlijke lieden op, want", zeide hij, "je staat in een
slechten naam",--nu, dat zeide hij, en ik weet wel waarom;--"want",
zeide hij, "je bent een brave vrouw en men denkt goed over je;
let daarom wel op, welke gasten gij opneemt; neem" zeide hij, "geen
levenmakers op".--Ik laat er geen binnen;--ge zoudt een kruis slaan,
als ge gehoord hadt, wat hij zeide.--Neen, geen blaaskaak in mijn huis.
FALSTAFF. Hij is geen blaaskaak, waardin; een makke zwendelaar is
hij, waarachtig; hij laat zich van je zoo geduldig streelen als een
schoothondje; hij zou niet blazen tegen een kalkoensche hen, wanneer
zij haar veêren maar even opzet, alsof zij hem wil aanvliegen.--Roep
hem boven, man.
WAARDIN. Een zwendelaar zegt gij? Voor een fatsoenlijk man wil ik
mijn huis niet sluiten, en voor een zwendelaar ook niet; maar een
blaaskaak mag ik niet lijden. Waarachtig, ik krijg het te kwaad,
als iemand maar spreekt van een blaaskaak. Voelt maar eens, vrienden,
hoe ik sidder; ziet gij? ik verzeker het u.
DOORTJE. Dat doe je, waardin.
WAARDIN. Niet waar? Ja, wis en zeker doe ik het, als een espeblad. Ik
kan blaaskaken niet uitstaan.
(Pistool, Bardolf en de Page komen op.)
PISTOOL. God zegen u, Sir John!
FALSTAFF. Welkom, vaandrig Pistool. Hier, Pistool, ik laad u met een
glas sek; trek gij af op onze waardin.
PISTOOL. Ik zal op haar aftrekken, Sir John, met twee kogels.
FALSTAFF. Zij is tegen pistoolkogels bestand, man, uw kaliber zal
haar geen leed doen.
WAARDIN. Loop, ik drink geen bestands en geen kalibers. Ik drink niet
meer dan mij dient, om niemands wil, ik niet.
PISTOOL. Dan geldt het u, juffer Dorothea; dan is de lading voor u.
DOORTJE. Voor mij? Loop heen, jij smerige hondsvot! Wat! Zoo'n arme,
gemeene, schelmachtige, zwendelende sinjeur Zonderhemd! Weg, jij
beschimmelde schavuit, weg! Ik ben een lekkerbeetje voor uw meester.
PISTOOL. Ik ken u, juffer Dorothea.
DOORTJE. Pak je weg, jij gauwdief, jij smerige schelm van een
beurzensnijder! Bij dezen wijn, ik stoot je mijn mes tusschen je
schimmelige kinnebakken, als je bij mij wilt kapen. Loop heen, jij
bierslungel, jij versleten stompdegentrekker, jij!--Sinds wanneer? dat
zou ik wel willen hooren, man!--Wat weerlicht! met twee nestels op
den schouder! 't is wat moois!
PISTOOL. Dat kost aan je halskraag het leven!
FALSTAFF. Niet verder, Pistool; pas op, zeg ik, dat je hier niet
afgaat: trek af, Pistool, buiten ons gezelschap.
WAARDIN. Neen, beste hopman Pistool, niet hier, lieve hopman.
DOORTJE. Hopman? jij afschuwelijke, vervloekte gauwdief, schaam jij je
niet, dat men je hopman noemt? Als hoplieden er over dachten zooals ik,
dan knuppelden zij je de deur uit, omdat jij hun namen aanneemt, voor
je die verdiend hebt. Jij een hopman, jij vlegel! waarvoor? omdat je
een arme deerne in een bordeel haar kraag durft afscheuren?--Hij een
hopman! hang hem op, den schelm! hij leeft van beschimmelde gestoofde
pruimen en oudbakken koeken. Een hopman! zulke spitsboeven zullen
het woord "hopman" even zoo gehaat maken als het woord "onderhouden",
dat een kostelijk goed woord was, eer het in slecht gezelschap kwam;
daarom moeten hoplieden er het oog op houden.
BARDOLF. Ik bid je, ga naar beneden, goede vaandrig.
FALSTAFF. Hoor eens hier, juffer Doortje.
PISTOOL. Naar beneden, ik! ik zal u wat zeggen, korporaal Bardolf,
ik zou haar kunnen verscheuren; ik wil wraak op haar nemen.
PAGE. Ik bid u, ga naar beneden.
PISTOOL. Eer zie ik haar verdoemd
Tot Pluto's jammermeer en hellepoel,
Met Erebus en schand'lijke tortuur.
Houdt lijn en hoek gereed, zeg ik.
Daalt, honden, diep! verzinkt, gij schikgodinnen!
Is hier Irene niet?
WAARDIN. Beste hopman Pistool, wees bedaard; het is al recht laat;
ik smeek u, inflammeer uw drift!
PISTOOL. Recht fraaie nukken! zouden zich pakpaarden
En knollen, voos en log, van Asia,
Die op een dag nauw dertig mijlen loopen,
Met Caesars en met Kanibaals hier meten,
En met Trojaansche Grieken? Eer verdoem'
Hen koning Cerberus en loeie 't zwerk!
Om zulk een speelpop twist!
WAARDIN. Bij mijn ziel, hopman, dat zijn recht harde woorden.
BARDOLF. Ga toch heen, beste vaandrig, anders komt hier nog een
kloppartij van.
PISTOOL. Slaat menschen dood als honden! geeft vrij kronen
Als spelden weg! Is hier Irene niet?
WAARDIN. Op mijn woord, hopman, zoo iemand is hier niet. Wel, mijn
lieve tijd! denkt gij, dat ik haar zou verloochenen? Om Gods wil,
wees bedaard.
PISTOOL. Zoo eet dan en word vet, mijn gâ Calipolis!
Kom, geef wat sek.
(Hij bekijkt het lemmet van zijn zwaard.)
"Si fortune me tormente, sperato me contente."
Wij bang voor kruit? Laat vrij den duivel vuren!
Geef mij wat sek; en gij, mijn lief, lig hier.
(Hij legt zijn zwaard af.)
Zijn wij aan 't eind? blijft elk "et cet'ra" weg?
FALSTAFF. Pistool, ik wil rust hebben.
PISTOOL. Ik kus de knuist u, beste ridder mijn.--
Och kom, wij hebben samen het zevengesternte gezien.
DOORTJE. Om 's hemels wil, gooit hem de trap af! ik kan zulk een
snoevenden schoft niet uitstaan.
PISTOOL. De trap af? Nu, huurknollen kennen we ook!
FALSTAFF. Smijt hem de trap af, Bardolf, als een keisteentje. Als
hij niets doet, dan wat niets is spreken, zal hij hier ook niets wezen.
BARDOLF. Kom, scheer je de trap af.
PISTOOL. Wat! moeten we aderlaten? vloeren drenken?
(Hij neemt zijn zwaard op.)
Dood, wieg me in slaap dan! kort mijn jammerdagen!
Welaan dan, wonden, grievend, gruw'lijk, gapend,
Ontboeit der Zust'ren trits! kom, Atropos, zeg ik!
WAARDIN. Wat! dat is een fraaie vertooning!
FALSTAFF. Geef mij mijn rapier, jongen.
DOORTJE. Ik bid je, Hans, ik bid je, trek niet.
FALSTAFF. De trap af, jij daar!
(Hij trekt.)
WAARDIN. Dat is een fraai tumult! Ik wil het herberghouden afzweren,
liever dan in zulke angsten en terreuren leven.--Nu, dat geeft nog
moord, zeg ik u.--Ach, ach, steekt uw naakte wapens op!
(Bardolf en Pistool af.)
DOORTJE. Ik bid je, Hans, wees bedaard; de schoft is weg. O, jij
vervloekte kleine dappere hondsvot, jij!
WAARDIN. Ben je niet gewond in de lies? mij docht, hij deed een
leelijken stoot naar uw buik.
(Bardolf komt weder op.)
FALSTAFF. Heb je hem de deur uitgezet?
BARDOLF. Ja, heer; de schoft is dronken. Gij hebt hem gewond, heer,
aan den schouder.
FALSTAFF. Welk een schoft, mij te trotseeren!
DOORTJE. O jij allerliefste kleine schelm, jij! Ach, arm aapje, is
dat zweeten! Kom, laat mij je gelaat eens afwisschen;--komaan, jij
liederlijk stuk vleesch!--O, schelm, waarachtig, ik bemin je. Je bent
zoo dapper als Hector van Troje, vijf Agamemnons waard, en tienmaal
beter dan de negen Londensche optochthelden.--O die spitsboef!
FALSTAFF. Die schavuitige vlegel! Ik wil den schoft op een deken
jonassen.
DOORTJE. Ja, doe het, als je het hart hebt; als je het doet, zal ik
je tusschen twee lakens er over hooren.
(Er komen Muzikanten op.)
PAGE. Heer, daar zijn de muzikanten.
FALSTAFF. Laat hen spelen.--Speelt, mannen.--Kom op mijn knie zitten,
Doortje.--Wat een ellendige pochvlegel! De schoft liep voor mij weg
als kwikzilver.
DOORTJE. Ja, waarachtig en je zat hem achterna als een kerk. Jij
liederlijk, klein, fijn Bartholomeus-biggetje, wanneer zul je ophouden
overdag te vechten en 's nachts te schermutselen, en eens beginnen
je oud lijf voor den hemel op te flikken?
(Op den achtergrond verschijnen Prins Hendrik en Poins, als
tappersknechts verkleed.)
FALSTAFF. Stil, lieve Door, spreek niet als een doodshoofd; vermaan
mij niet aan mijn einde te denken.
DOORTJE. Zeg mij eens, wat voor een soort van mensch is de Prins?
FALSTAFF. Een goed beperkt jongmensch; hij zou wel voor broodmeester
gedeugd hebben; hij zou het brood goed hebben voorgesneden.
DOORTJE. Maar Poins, zegt men, heeft nog al geest.
FALSTAFF. Hij nog al geest? aan de galg met den baviaan. Zijn geest
is zoo dik als Tewksburger mosterd, hij heeft niet meer vernuft,
dan er in een wilden woerd zit.
DOORTJE. En waarom mag de Prins hem dan zoo graag lijden?
FALSTAFF. Omdat hun beenen van één dikte zijn, en omdat hij goed kan
keilen; en hij eet zeepaling en venkel; en hij slikt brandende stompjes
kaars met den wijn in, en speelt haasje-over met de tappersknechts,
en springt op vouwstoelen, en vloekt met gratie, en hij draagt zijn
laars zoo glad als een schoenmakers-uithangbeen; en hij bezorgt
hem geen twist door het uitbrengen van fraaie geschiedenissen; en
meer zulke hansworsttalenten bezit hij, die van een zwakken geest
en een kloek lichaam getuigen, en daarom laat de Prins zich met hem
in. Want de Prins is geheel als hij; het gewicht van een haar zal op
de weegschaal aan den een of den ander den doorslag geven.
PRINS HENDRIK. Zou men dien spekklomp er de ooren niet voor afsnijden!
POINS. Laat ons hem afrossen voor de oogen van zijn slet.
PRINS HENDRIK. Kijk, laat de rimpelige oude kerel zich den kop niet
krauwen als een papegaai?
POINS. Is het niet vreemd, dat de begeerte het volbrengen zoo veel
jaren overleeft?
FALSTAFF. Kus mij, Doortje.
PRINS HENDRIK. Saturnus en Venus dit jaar in conjunctie. Wat zegt de
almanak daarvan?
POINS. En zie eens, zijn knecht, de vurige triangel, staat die
daar niet te fluisteren met het oude register van zijn heer, zijn
schrijflei, zijn geheimboek?
FALSTAFF. Je geeft mij innige zoentjes.
DOORTJE. Ja waarlijk, ik kus je met een recht bestendig hart.
FALSTAFF. Ik ben oud, ik ben oud.
DOORTJE. Ik houd meer van jou dan van al dat jong geboefte bij elkaâr.
FALSTAFF. Van wat voor stof wil je een schortje hebben? Aanstaanden
Donderdag krijg ik geld; morgen zul je een muts van mij hebben. Kom,
een vroolijk lied; het wordt laat, wij willen naar bed. Je zult me
vergeten, als ik weg ben.
DOORTJE. Bij mijn ziel, je brengt me aan het schreien, als je dat
zegt; let maar op, of ik me ééns mooi zal aankleeden, tot je terug
bent.--Kom, luister naar het slot.
FALSTAFF. Wat sek, Frans!
PRINS HENDRIK EN POINS (vooruittredend). Dadelijk, heer, dadelijk.
FALSTAFF. Ha! een basterdzoon van den koning!--En ben jij niet een
broertje van Poins?
PRINS HENDRIK. O jij aardbol van zondige landen, wat is dat voor een
leven, dat je leidt?
FALSTAFF. Een beter dan gij; ik ben een edelman en gij een tapper.
PRINS HENDRIK. Zeer juist, Sir, en ik kom om je den tap toe te doen
en je de ooren te wasschen.
WAARDIN. O, de hemel beware uwe lieve genade! Op mijn woord, welkom
in Londen.--Nu, de Heer zegene dit liefelijk gelaat van u! O Jezus,
komt gij uit Wales?
FALSTAFF. Gij liederlijk en verdwaasd stuk majesteit,--bij dit
licht (Hij legt de hand op Doortje.) vleesch en verdorven bloed,
gij zijt welkom.
DOORTJE. Wat, jij vette zotskap? je kunt me gestolen worden.
POINS. Mylord, hij zal u van uw wraak afbrengen, en alles in een grap
verkeeren, als gij niet de eerste hitte waarneemt.
PRINS HENDRIK. Jij liederlijke smeerkaarsmijn, jij, hoe schandelijk
spraakt gij daareven van mij tot deze eerzame, deugdzame, fatsoenlijke
juffer!
WAARDIN. God zegene uw goed hart! dat is ze ook, bij mijn ziel.
FALSTAFF. Hebt gij het gehoord?
PRINS HENDRIK. Ja, en je kende mij, zooals je deedt, toen je bij
Gadshill op den loop gingt; je wist, dat ik achter je stond en spraakt
opzettelijk zoo, om mijn geduld op de proef te stellen.
FALSTAFF. Neen, neen, neen, dat niet; ik dacht niet, dat je mij
hooren kondt.
PRINS HENDRIK. Dan zal ik er je toe drijven, dat je den opzettelijken
laster erkent; en dan weet ik, hoe ik met je te doen heb.
FALSTAFF. Geen laster, Hein; op mijn eer, geen laster.
PRINS HENDRIK. Niet! mij te beschimpen, en mij broodmeester, en
voorsnijder en ik weet niet wat te noemen?
FALSTAFF. Geen laster, Hein.
POINS. Geen laster!
FALSTAFF. Geen laster, Edu, ter wereld niet; neen, brave Edu, volstrekt
niet. Ik beschimpte hem bij de goddeloozen, opdat de goddeloozen niet
op hem zouden verlieven;--en door zoo te doen heb ik gehandeld als
een bezorgd vriend en getrouw onderdaan, en uw vader is er mij dank
voor schuldig. Geen laster, Hein;--in het minst niet, Edu;--neen,
jongens, waarachtig, niet in het minst.
PRINS HENDRIK. Zie nu eens, brengt loutere vrees of algeheele
lafhartigheid er je niet toe, van deze deugdzame juffer kwaad te
spreken, om je met ons te verzoenen? Is zij van de goddeloozen? Is de
waardin hier van de goddeloozen? Of is de jongen van de goddeloozen? of
de eerlijke Bardolf, wiens geloofsijver in zijn neus gloeit, van
de goddeloozen?
POINS. Antwoord, jij afgestorven olm, antwoord!
FALSTAFF. De Booze heeft Bardolf onherroepelijk aangekalkt; en
zijn gezicht is Lucifers bijzondere keuken, waar hij niets doet dan
moutwurmen roosteren. Wat den jongen aangaat,--er is een goede engel
om hem heen, maar de duivel blijft ook boven dezen aan 't bod.
PRINS HENDRIK. En de vrouwen?
FALSTAFF. De een van haar, die is reeds in de hel en verbrandt arme
zielen. Wat de ander betreft; ik ben haar geld schuldig, en of zij
daarvoor verdoemd is of niet, weet ik niet.
WAARDIN. Neen, waarachtig niet.
FALSTAFF. Neen, ik geloof het ook niet; ik geloof, daar ben je vrij
van. Maar er is nog een andere aanklacht tegen je, dat je tegen de
wet in je huis vleesch laat eten; en daarvoor, geloof ik, zul je
eens huilen.
WAARDIN. Dat gebeurt in alle gaarkeukens. Wat wil een schapebout of
twee zeggen in een heele vasten?