Warkworth. Voor het kasteel.
Northumberland. Lady Northumberland en Lady Percy komen op.
NORTHUMBERLAND. Ik bid u, teed're vrouw en lieve dochter,
Gunt aan mijn ruwe zaak een effen weg;
Plooit niet ook gij 't gelaat als deze tijden,
En maak mij niet als zij het hand'len zwaar.
LADY NORTHUMBERLAND. Ik geef het op en zal niet verder spreken;
Doe wat gij wilt; uw wijsheid zij uw gids.
NORTHUMBERLAND. Ach, beste vrouw, mijn eer is ginds verpand,
En enkel door mijn gaan is ze in te lossen.
LADY PERCY. Toch, trek, om Gods wil, niet naar dezen krijg!
Zie, vroeger, vader, hebt ge uw woord gebroken,
Toen 't meer een deel was van uzelf dan nu;
't Was, toen uw eigen Percy, toen mijn alles,
Mijn Hendrik, meen'gen blik naar 't noorden wierp,
Waar toch zijn vader bleef; 't was ijdel wachten!
Wie overreedde u toen om thuis te blijven?
Twee eeren trof dit, de uwe, die uws zoons;
Aan de uwe--haar verleen' de Hemel glans!
De zijne,--o! stond hem, als de zon het doet
Aan 't blauwe hemelwelf; en door haar glans
Dreef zij de gansche ridderschap van England
Tot dappre daden! Ja, hij was de spiegel,
Waar heel de jeugdige adel zich voor tooide;
Verlamd was hij, die zijnen gang niet had,
En stootend spreken, van natuur hem eigen,
Die feil werd nu de tongval van den moed;
Want zij, die zacht en langzaam konden spreken,
Verruilden voor zijn feil hun schoone gaaf,
Opdat zij hem geleken. Zoo was hij
In taal, in gang, in leefwijs, in vermaken,
In oorlogskunst, in luimen van het bloed,
Het oogwit en de spiegel, 't boek en 't voorschrift,
Dat and'ren vormde. En hem,--dat puikjuweel,
Dat wonder van een man,--hem gaaft gij prijs;
Die week voor niemand, werd door u ontweken,
En moest, in 't nadeel zijnd, den schrikbren krijgsgod
In de oogen zien; hij moest een slag aanvaarden,
Toen niets, dan slechts de klank van Heetspoors naam
Nog weerbaar scheen;--zoo liet gij hem--alleen.
Laad nimmer, nimmer op zijn geest den smaad,
Dat gij uw eere meer nauwlettend hoedt
Bij and'ren, dan bij hem; laat hèn begaan.
De maarschalk, met den aartsbisschop, is sterk;
O, had mijn Hendrik half hun macht gehad,
Dan zou ik, aan mijn Heetspoor's hals nu hangend,
Van 't graf van Monmouth spreken!
NORTHUMBERLAND. God vergeve u,
Mijn dierbaar kind! Ge ontrooft mij allen moed
Door nieuwe klacht om de oude plichtmiskenning.
Gaan moet ik, ginds 't gevaar in de oogen zien,
Of anders zoekt het elders mij, en vindt mij
Veel slechter toegerust.
LADY NORTHUMBERLAND. O, vlucht naar Schotland,
En wacht, tot de eed'len en 't gewapend volk
Ten minste een proefje gaven van hun macht.
LADY PERCY. En winnen zij den koning voordeel af,
Voeg dan u bij hen als een rib van staal,
Die hunne sterkte sterkt. Doch laat hen eerst,
Ja, om ons aller wil, hun kracht beproeven.
Zoo deed uw zoon; zoo liet men hem begaan,
Zoo werd ik weeuw, en leef nooit lang genoeg
Om tot herinn'ring aan mijn eed'len gâ
't Herinn'ringskruid met tranen te besproeien,
Zoodat het tot den hemel groeit en spruit.
NORTHUMBERLAND. Kom mede in huis. 't Is nu in mijn gemoed,
Als met den vloed, die tot zijn hoogte zwol,
Tot stilstand komt en her- noch derwaarts vliet
Den aartsbisschop ging ik volgaarne helpen,
Doch duizend gronden houden mij terug.--
Het zij; ik ga naar Schotland, waar ik wacht,
Tot tijd en voordeel roepen: breng uw macht!
(Allen af.)