DOORTJE. Wat zegt uwe genade?
FALSTAFF. Zijne genade zegt iets, waartegen zijn vleesch in opstand
komt.
(Er wordt geklopt.)
WAARDIN. Wie klopt daar zoo hard op de deur? kijk eens aan de deur,
Frans!
(Peto komt op.)
PRINS HENDRIK. Zoo Peto! spreek, wat is er?
PETO. De vorst, uw vader, is te Westminster;
Een twintig moede, matte boden kwamen
Van 't noorden aan; en onderweg haalde ik
Hoplieden in, wel een dozijn; die klopten
Blootshoofds, bezweet, aan elke herberg aan,
En vroegen iedereen naar Sir John Falstaff.
PRINS HENDRIK. Bij God, Poins, laakbaar is het, dit erken ik,
Dat ik den eed'len tijd zoo wuft ontwijd,
Terwijl, als zuiderstorm, des oproers onweer
Met zwarte wolken nadert, smelten gaat,
En neerdrupt op ons naakt, nog weerloos hoofd.
Mijn zwaard en mantel hier!--Falstaff, goê nacht!
(Prins Hendrik, Poins, Peto en Bardolf af.)
FALSTAFF. Nu komt het lekkerst hapje van den geheelen avond en wij
moeten weg, en het onaangeroerd laten. (Er wordt geklopt.) Nog al
meer geklop op de deur!
(Bardolf komt terug.)
Nu, wat is er?
BARDOLF. Gij moet naar 't hof, heer, daad'lijk; een dozijn
Hoplieden staan u aan de deur te wachten.
FALSTAFF (tot den Page). Betaal de muzikanten, jongen.--Vaarwel,
waardin; vaarwel, Doortje. Gij ziet, mijn lieve vrouwtjes, hoe
mannen van verdiensten gezocht zijn; de verdienstelooze kan blijven
slapen, terwijl de man van daden wordt opgeroepen. Vaartwel, lieve
vrouwtjes. Als ik niet op staanden voet weg moet, zie ik je nog,
voor ik ga.
DOORTJE. Ik kan niet spreken;--als mijn hart niet tot berstens toe
vol is!--nu, mijn Hans, neem je in acht!
FALSTAFF. Vaarwel, vaarwel!
(Falstaff en Bardolf af.)
WAARDIN. Nu, vaarwel! negen en twintig jaar heb ik je gekend, als
de jonge erwten komen; maar een braver kerel, een trouwer hart,--nu
vaarwel!
BARDOLF (buiten). Juffer Scheurlaken!
WAARDIN. Wat is er?
BARDOLF (buiten). Zeg aan juffer Scheurlaken, dat zij bij mijn
meester komt.
WAARDIN. O! loop, Doortje! loop, lieve Doortje!
(Beiden af.)