TWEEDE TOONEEL.

Een andere straat in Londen.

Prins Hendrik en Poins komen op.

PRINS HENDRIK. Geloof mij, ik ben door en door moe.

POINS. Is het zoo ver met u? Ik heb altijd gedacht, dat moeheid iemand

van zoo hoogen bloede niet aan zou durven.

PRINS HENDRIK. Nu, inderdaad; zij durft mij aan, al moet mijn hoogheid

ook van kleur verschieten, nu het erkend moet worden. Staat het mij

niet recht gemeen, dat ik naar dunnebier verlang?

POINS. Ja, een prins moest niet zoo nalatig gestudeerd hebben, dat

hij zich zulke ellendige brouwsels kon herinneren.

PRINS HENDRIK. Misschien dan, dat mijn trek niet van vorstelijke

afkomst is; want, op mijn woord, ik herinner mij nu dien armen duivel,

dat dunnebier. Maar, waarachtig, die nederige overdenkingen doen mij

afkeerig zijn van mijn grootheid. Wat schande moet het voor mij zijn,

dat ik mij uw naam herinner! of morgen uw gelaat nog ken! of opmerk,

hoe veel paar zijden kousen gij hebt, namelijk deze, en die eens

uw perzikbloesemroode waren! of de lijst bijhoud van uw hemden,

namelijk een voor overdaad en een voor het gebruik! Maar dit weet

de kaatsbaanhouder beter dan ik, want het is lage eb in uw linnen,

als gij daar het raket niet ter hand neemt, zooals gij in langen tijd

niet gedaan hebt, omdat uw Hollandsche bezittingen, bij wijze van

redmiddel, door uwe overige lage landen verslonden zijn. En God weet,

of de kleine schreeuwers, die nu uit de overblijfselen van uw linnen

zich laten hooren, zijn koninkrijk zullen beërven; maar de bakers

zeggen, dat de kinderen het niet kunnen helpen; en ondertusschen

neemt de menschheid toe en worden de familiën verbazend sterk.

POINS. Hoe kwalijk rijmt die ijdele praat op uw zwaren arbeid van

vroeger! Zeg mij, hoeveel jonge prinsen zouden dit wel doen, als hun

vaders zoo ziek waren, als de uwe op dit oogenblik is?

PRINS HENDRIK. Wil ik u wat zeggen, Poins?

POINS. Ja, voorwaar, maar laat het iets bijzonder goeds zijn.

PRINS HENDRIK. Het zal voor geesten, die niet hooger staan dan gij,

zijn dienst kunnen doen.

POINS. Ga voort, ik zal den schok wel doorstaan van dat iets, wat

gij mij zeggen wilt.

PRINS HENDRIK. Waarachtig, ik zeg u,--het zou niet goed staan, als ik

bedroefd was nu mijn vader ziek is; hoewel ik u zou kunnen zeggen,--als

tot iemand, wien ik, bij gebreke van beter, goedvind mijn vriend te

noemen,--dat ik bedroefd zou kunnen zijn en oprecht bedroefd bovendien.

POINS. Moeilijk toch om zulk een reden.

PRINS HENDRIK. Bij deze hand, gij denkt, dat ik even boos in

's duivels boek sta als gij en Falstaff, wat halsstarrigheid en

verstoktheid betreft. Het eind zal 't leeren. Maar ik zeg u: mijn

hart bloedt inwendig, dat mijn vader zoo ziek is; en dat ik met zulk

slecht gezelschap omga als gij zijt, dit ontzegt mij om goede redenen

alle uiterlijke vertooning van smart.

POINS. Die redenen?

PRINS HENDRIK. Wat zoudt gij van mij denken, als ik weende?

POINS. Ik zou denken, dat gij een echt prinselijke huichelaar waart.

PRINS HENDRIK. Dat zou iedereens gedachte zijn; en gij zijt een

gezegend schepsel, dat gij denkt, zooals iedereen denkt; van

geen sterveling houden de gedachten beter den grooten weg dan de

uwe. Iedereen zou denken, dat ik een huichelaar was, inderdaad. En

wat dringt uw hoogwaardige gedachten om zoo te denken?

POINS. Wel, dat gij zoo loszinnig zijt geweest en zoo vergroeid

met Falstaff.

PRINS HENDRIK. En met u.

POINS. Bij het licht der zon, van mij zegt men alles goeds; ik kan

het met mijn eigen ooren hooren. Het ergste, dat zij van mij kunnen

zeggen, is, dat ik een jonger broeder ben, en een flinke knaap, die

de handen uitsteekt; en ik moet erkennen, die twee dingen kan ik niet

veranderen. Bij het sacrament, daar komt Bardolf.

PRINS HENDRIK. En de jongen, dien ik aan Falstaff gegeven heb; als

een christenjongen heeft hij hem van mij gekregen; en zie nu zelf,

of de vette schelm niet een aap van hem gemaakt heeft.

(Bardolf en de Page komen op.)

BARDOLF. God vermeerdere uw genade.

PRINS HENDRIK. En de uwe, hoogedele Bardolf.

BARDOLF (tot den Page). Kom, gij deugdzame ezel, gij schaamachtige

zotskap, waarom gaat gij blozen? Waarom wordt ge rood? Wat voor een

meisjesachtige wapenknecht zijt gij geworden? Is dat zoo'n heldenstuk,

den maagdom van een tweemaatsbierkan te veroveren?

PAGE. Mylord, hij riep mij zoo even aan, door een rood tralievenster,

en ik kon geen enkel deel van zijn gezicht van het venster

onderscheiden; ten laatste werd ik zijn oogen gewaar en ik dacht,

dat hij in de bierwaardin haar nieuwen rok twee gaten gemaakt had,

en daar doorhenen gluurde.

PRINS HENDRIK. Heeft de jongen niet geprofiteerd?

BARDOLF. Pak je weg, jij hondsvot van een rechtoploopend konijntje,

pak je weg!

PAGE. Pak je weg, jij schurkachtige droom van Althea, pak je weg!

PRINS HENDRIK. Verklaar ons dat, jongen! welke droom?

PAGE. Wel Mylord, Althea droomde immers, dat zij van een brandende

fakkel beviel; en daarom noem ik hem haar droom.

PRINS HENDRIK. Een verklaring, die wel een kroon waard is.--Daar heb

je hem, jongen.

(Hij geeft hem geld.)

POINS. O, dat deze fraaie bloesem van den worm bevrijd mocht

blijven!--Nu, daar heb je een halve schelling om je gaaf te houden.

BARDOLF. Als gij met mekaâr hem er niet toe brengt, dat hij gehangen

wordt, dan krijgt de galg haar deel niet.

PRINS HENDRIK. En hoe maakt het je meester, Bardolf?

BARDOLF. Goed, genadige heer. Hij hoorde, dat uwe genade in de stad

zou komen; en daar is een brief voor u.

POINS. Met allen eerbied besteld.--En hoe gaat het dien

Sint-Maartens-zomer, je meester?

BARDOLF. Gezond van lijf en leden, heer.

POINS. Nu, voorwaar, zijn onsterflijk deel behoeft wel een

geneesmeester. Maar dat bekommert hem niet; al is dat ziek, het sterft

toch niet.

PRINS HENDRIK. Ik sta dien vetklomp toe, even gemeenzaam met mij

te wezen als mijn hond; en hij is stout op zijn erf, want zie eens,

hoe hij schrijft.

POINS (leest). "John Falstaff, ridder,"--dat moet ieder weten,

zoo vaak hij gelegenheid heeft om zich te noemen, juist als zij,

die met den koning verwant zijn; want die kunnen zich niet in den

vinger prikken, of zij zeggen: "daar wordt koningsbloed vergoten;"

"Hoe zoo?" zegt iemand, die zich houdt, of hij het niet begrijpt;

en het antwoord is even grif bij de hand als de muts van iemand,

die borgt: "ik ben een arme neef van den koning, heer."

PRINS HENDRIK. O, zij willen van ons geslacht zijn, al moesten zij

het van Jafet afleiden.--Maar, de brief!

POINS. "Sir John Falstaff, Ridder, aan den zoon des konings, die

zijn vader het naast is; aan Hendrik, Prins van Wales, heil!" Zoo,

dat is een certificaat.

PRINS HENDRIK. Stil!

POINS. "Ik wil de edele Romeinen volgen, in hun kortheid;"--hij

meent zeker in kortademigheid;--"ik zeg u vaarwel, ik zeg vaarwel en

ik verlaat u. Wees niet te vertrouwelijk met Poins, want hij maakt

zoozeer misbruik van uw gunst, dat hij zweert, dat gij zijn zuster

Leen moet trouwen. Doe boete in uw ledige uren, zoo goed gij kunt,

en daarmede vaarwel;

De uwe, bij ja en neen,--dat wil zeggen, naarmate gij hem

behandelt;--Hans Falstaff voor mijn vertrouwde vrienden; John, voor

mijn broeders en zusters; en Sir John voor geheel Europa."

Mylord, ik wil dezen brief in sek doopen, en hij zal hem weer opeten.

PRINS HENDRIK. Dus, dan laat gij hem een paar dozijn van zijn woorden

weer opeten.--Maar springt gij zoo met mij om, Edu? moet ik uw

zuster trouwen?

POINS. God geve aan de deerne geen slechter partij! maar gezegd heb

ik het nooit.

PRINS HENDRIK. Ja, zoo springen wij als zotskappen met den tijd om,

en de geesten der wijzen zitten in de wolken en bespotten ons.--Is

je meester hier in Londen?

BARDOLF. Ja, mylord.

PRINS HENDRIK. Waar eet hij van avond? Mest de oude beer zich nog in

het oude kot?

BARDOLF. Op de oude plaats, mylord, in Eastcheap.

PRINS HENDRIK. In welk gezelschap?

PAGE. Met Efeziërs, mylord, van het oude geloof.

PRINS HENDRIK. Zijn er ook vrouwmenschen bij?

PAGE. Anders niet, mylord, dan de oude vrouw Haastig en juffer

Doortje Scheurlaken.

PRINS HENDRIK. Wat voor een heidenmensch is dat?

PAGE. Een knap vrouwmensch, prins, en een nicht van mijn meester.

PRINS HENDRIK. Even zooveel nicht, als de gemeente-koeien het zijn van

den stadsbul.--Willen wij hen eens bij hun avondmaal besluipen, Edu?

POINS. Ik ben uw schaduw, mylord, ik volg u.

PRINS HENDRIK. Zeg eens, jongen,--en jij, Bardolf;--geen woord aan

je meester, dat ik reeds in de stad ben;--daar, voor je stilzwijgen!

(Hij geeft hun geld.)

BARDOLF. Ik heb geen tong, heer.

PAGE. En op de mijne, prins, zal ik passen.

PRINS HENDRIK. Vaart nu wel, gaat! (Bardolf en de Page af.)--Die

Doortje Scheurlaken zal wel de een of andere publieke weg zijn.

POINS. Dat verzeker ik u, zoo publiek als de weg van Sint Albaans

naar Londen.

PRINS HENDRIK. Hoe kunnen wij van avond Falstaff eens in zijn ware

kleur zien, zonder zelf gezien te worden?

POINS. Wij doen elk een leêren wambuis aan en een schort voor en

bedienen hem aan tafel als knechts.

PRINS HENDRIK. Van god tot stier? 't Is diep gedaald! 't Was Jupiters

geval. Van prins tot leerjongen? Een verandering naar de laagte! 't

Zij mijn deel; want in alle zaken moet de bedoeling de dwaasheid

opwegen. Kom mede, Edu.

(Beiden af.)

Koning Hendrik de Vierde · 第 53 / 79 题