FALSTAFF (tot de Waardin). Zoo waar ik een edelman ben,--

WAARDIN. Ja, dat hebt ge vroeger ook gezegd.

FALSTAFF. Zoo waar ik een edelman ben; kom, geen woord er meer over.

WAARDIN. Bij dezen hemelschen grond, waar ik op sta, ik moet er mijn

zilver en de gewerkte wandtapijten uit mijn eetkamer voor verpanden.

FALSTAFF. Glazen, glazen, dat is het ware drinken! En wat uw wanden

betreft, een aardige kleine snakerij, of de geschiedenis van den

Verloren Zoon, of de Duitsche Zwijnenjacht in waterverf is meer waard

dan duizend van zulke beddebehangsels en mottige tapijten. Laat

het tien pond zijn, als je kunt. Kom, als ge die kuren niet hadt,

was er geen beter wijf in heel Engeland. Ga, wasch je gezicht af en

trek die klacht in. Kom, je moet niet zoo boos tegen mij wezen. Ken

je mij niet? Kom, kom, ik weet, dat je er toe opgestookt bent.

WAARDIN. Ik bid u, Sir John, laat twintig nobels genoeg zijn;

waarachtig, ik zie er tegen op, mijn zilver te verpanden, in vollen

ernst, ja!

FALSTAFF. Nu, laat het dan; ik zal mij wel ergens anders redden;

je bent en blijft toch een zottinnetje!

WAARDIN. Nu, gij zult het hebben; al moest ik er mijn rok ook voor

verpanden. Ik hoop, dat gij van avond komt eten. Gij wilt mij alles

in eens betalen?

FALSTAFF. Wil ik in 't leven blijven?--(Tot Bardolf.) Ga mee, ga mee;

haak aan, haak aan!

WAARDIN. Wilt gij Doortje Scheurlaken ook bij het avondeten hebben?

FALSTAFF. Geen praatjes verder; laat haar komen.

(De Waardin, Bardolf, de Gerechtsdienaars en de Page af.)

OPPERRECHTER (tot Gower). 'k Heb beter nieuws vernomen.

FALSTAFF. Wat is het nieuws, mijn waarde heer?

OPPERRECHTER (tot Gower). Waar was de koning deze nacht gelegerd?

GOWER. Te Basingstoke, mylord.

FALSTAFF. Ik hoop, mylord, dat alles wel is; wat is er voor nieuws,

mylord?

OPPERRECHTER. En komt zijn gansche macht terug?

GOWER. Tweeduizend man, waarvan vijfhonderd ruiters,

Zijn naar mylord van Lancaster, en zullen

Northumberland en den prelaat bestrijden.

FALSTAFF. Komt de koning uit Wales terug, geëerde heer?

OPPERRECHTER (tot Gower). Ik maak de brieven daad'lijk u gereed.

Kom met mij mede, bid ik u, heer Gower.

FALSTAFF. Mylord!

OPPERRECHTER. Wat is er?

FALSTAFF. Mag ik u uitnoodigen, hedenmiddag mijn gast te zijn,

heer Gower?

GOWER. Ik moet den edelen lord hier ten dienste staan; ik dank u,

goede Sir John.

OPPERRECHTER. Sir John, gij talmt hier te lang; gij hebt in de streken,

die gij doortrekt, soldaten te lichten.

FALSTAFF. Wilt gij dan van avond bij mij eten, Heer Gower?

OPPERRECHTER. Welke dwaze leermeester heeft u die manieren geleerd,

Sir John?

FALSTAFF. Als zij mij niet goed staan, Heer Gower, dan was het een

dwaas, die ze mij leerde.--Dit is schermen naar den eisch, mylord;

tik voor tak, en zoo in eere van elkaâr.

OPPERRECHTER. Nu, de Heere verlichte u! gij zijt een groote zotskap!

(Allen af.)

Koning Hendrik de Vierde · 第 52 / 79 题