Londen. Een straat.
De Waardin komt op, met Klauw en zijn Handlanger; Strik volgt.
WAARDIN. Sinjeur Klauw, hebt gij de klacht ingeschreven?
KLAUW. Zeker, ingeschreven.
WAARDIN. Waar is uw handlanger? is het een flink handlanger? staat
hij zijn man?
KLAUW. Jongen, waar is Strik?
WAARDIN. O lieve God! Goed, die brave Strik!
STRIK. Hier, hier.
KLAUW. Strik, wij moeten Sir John Falstaff vatten.
WAARDIN. Ja, beste Strik, ik heb hem ingeschreven en alles.
STRIK. Het kan aan ettelijken van ons het leven kosten, want hij zal
naar ons steken.
WAARDIN. O lieve tijd, ja; pas toch voor hem op; hij heeft naar mij
gestoken in mijn eigen huis, en op beestachtige manier ook. Waarachtig,
als hij eens van leer heeft getrokken, vraagt hij niet, wat kwaad hij
doet, dan steekt hij om zich heen als de duivel; dan spaart hij man,
vrouw noch kind.
KLAUW. Als ik hem maar aan het lijf kan komen, geef ik niets om
zijn stooten.
WAARDIN. Neen, ik ook niet; ik zal u ter zijde staan.
KLAUW. Als ik hem eens te pakken kan krijgen, als hij maar eens in
deze duimschroef komt,--
WAARDIN. Als hij weg komt, ben ik gerinneweerd; ik verzeker u, het is
innorm, zooals hij bij mij in het krijt staat. Beste baas Klauw, houd
hem sikkuur vast;--beste baas Strik, laat hem niet ontsnappen. Hij komt
op het monement naar den Pasteihoek (met verlof van uw manbaarheid) om
een zadel te koopen en hij is ten eten geïntiveerd in den Luipaardenkop
op de Lommerdstraat bij den koopman Gladjes uit den zijdewinkel;
ik bid je, nu mijn klacht is ingeschreven en mijn geval zoo openlijk
aan de heele wereld bekend is, breng hem op, dat hij antwoord moet
geven. Vijftig pond, dat is voor een arme weduwvrouw zwaar om te
dragen; ik heb het uitgehouden en uitgehouden, en ik ben gefopt en
gefopt en gefopt van den eenen dag op den anderen, dat het een schande
is om er aan te denken. Dat is geen eerlijke manier van doen, of een
vrouw wordt een ezel en een beest, om iederen schelm zijn schurkerij
te verdragen.
(Sir John Falstaff komt op, met zijn Page en met Bardolf.)
Daar komt hij aan, met dien liederlijken malvezijneus, Bardolf, bij
hem. Laat nu eens zien, dat je mannen zijt, baas Klauw en baas Strik;
laat mij zien, laat mij zien, dat je mannen zijt.
FALSTAFF. Nu, wie zijn knol is hier dood? wat is er aan de hand?
KLAUW. Sir John, ik neem u in hechtenis ten verzoeke van vrouw Haastig.
FALSTAFF. Weg, rakkers!--Trek, Bardolf! sla mij dien schurk den kop
af; smijt dat vrouwmensch in de goot!
WAARDIN. Mij in de goot smijten? Wacht maar, ik zal er
jou in smijten! Kom maar op, kom maar op, jij schelm van een
vrouwenverleider! Moord! moord! O jij schurk van een molligteerder! zou
je de beambten van God en den koning willen vermoorden? O jij schelm
van een hartenteerder! jij bent een hartenteerder, een manslager en
een vrouweslager!
FALSTAFF. Jaag hen weg, Bardolf.
KLAUW. Assistentie! assistentie!
WAARDIN. Lieve menschen, haalt toch een hattustentie of twee!--kom
maar op, kom maar op, ga je gang, ga je gang, jij schelm! ga je gang,
jij achterteerder!
FALSTAFF. Weg, jij vatenwaschster! jij holle keel! jij mufmadam! ik
zal je voor je catastrophe geven!
(De Lord Opperrechter komt op, met Gevolg.)
OPPERRECHTER. Wat is dat hier? Gij allen, rustig daar!
WAARDIN. Lieve beste heer, wees goed voor mij! Ik smeek u, sta mij bij!
OPPERRECHTER. Wat is 't, Sir John? Vind ik u hier aan 't twisten? Past
zulk een doen uw rang, uw tijd, uw dienst? Gij moest reeds onderweg
zijn, lang, naar York.--Terug daar, knaap! Wat hangt gij hem aan
't lijf?
WAARDIN. O mijn hoogwaardige heer, met verlof van uwe genade, ik
ben een arme weduwe uit Eastcheap, en hij gaat op mijn aanklacht in
de gijzeling.
OPPERRECHTER. Voor wat voor een som?
WAARDIN. Niet voor sommige dingen, Heer; maar voor alles, voor alles
wat ik heb. Hij heeft mij mijn huis en hof uitgevreten; hij heeft mijn
geheel vermogen in zijn vetten buik daar gestopt.--Maar ik wil er wat
van terughebben, of ik zal je 's nachts drukken als een nachtmerrie.
FALSTAFF. Nu, mij dunkt, ik zal nog eer een merrie drukken; 't is
maar de kunst er boven op te komen.
OPPERRECHTER. Hoe komt dit, Sir John? Foei, welk een rechtgeaard man
zou zulk een storm van verwenschingen dulden? Schaamt gij u niet, dat
gij een arme weduwe tot zulke middelen dwingt om aan het hare te komen?
FALSTAFF. Wat voor een groote som is het dan, die ik u schuldig ben?
WAARDIN. Bij mijn ziel, als gij een eerlijk man waart, uzelf en het
geld er bij. Gij hebt het mij gezworen op een halfvergulden beker,
in mijn Dolfijnenkamer, aan de ronde tafel, bij een steenkolenvuur,
op Woensdag na Pinkster, toen de prins u een gat in het hoofd had
geslagen, omdat gij gezegd hadt, dat zijn vader op een voorzanger
uit Windsor geleek; toen hebt gij mij gezworen, terwijl ik uw wond
uitwiesch, dat ge mij trouwen zoudt en mij tot uw mevrouw maken. Kunt
ge dat ontkennen? Kwam buurvrouw Ongel, de slachtersvrouw, toen
niet binnen en noemde zij mij niet buur Haastig? en wilde zij niet
een halve flesch azijn borgen, en zeide zij niet, dat zij een goeden
schotel garnalen had? waarop gij lust kreegt er van te eten, waarop ik
zeide, dat zij niet goed waren voor een versche wond? en hebt gij niet
gewild, toen ze de trap af was, dat ik met zulke minne lieden niet
meer zoo familiariteit zou wezen, en gezegd, dat ze mij binnen kort
mevrouw zouden noemen? En hebt gij mij toen niet gekust, en gezegd,
dat ik u dertig schellingen moest geven? Ik zet u nu eens voor uw eed;
ontken het, als gij kunt.
FALSTAFF. Mylord, dit is een arme malende ziel; en ze zegt, de
geheele stad door, dat haar oudste zoon op u gelijkt. Zij is in
goeden doen geweest, en de waarheid is: armoede heeft haar in de war
gebracht. Maar wat die domme gerechtsdienaars betreft, verzoek ik u,
mij genoegdoening tegenover hen te verschaffen.
OPPERRECHTER. Sir John, Sir John, ik ken zeer wel uw manier van doen,
van de ware toedracht van een zaak te verdraaien. Geen stoutmoedige
blik, noch ook de vloed van woorden, die gij met meer dan onbeschaamde
driestheid uit, zullen mij van een onpartijdige beoordeeling
afbrengen. Gij hebt, naar het mij voorkomt, het toegefelijk hart van
deze vrouw bewerkt, tot zij u met haar beurs en met haar persoon ten
dienste is geweest.
WAARDIN. Ja juist, mylord, ja juist.
OPPERRECHTER. Ik bid u, stil!--Betaal haar de schuld, die gij aan haar
hebt, en maak het kwaad goed, dat gij haar gedaan hebt! het eene kunt
gij doen met klinkende munt, het andere met gangbaar berouw.
FALSTAFF. Mylord, ik kan mij deze terechtwijzing niet stilzwijgend
laten welgevallen. Gij noemt een roemwaardige stoutmoedigheid
onbeschaamde driestheid; als iemand een nederige buiging maakt en
niets zegt, is hij deugdzaam. Neen, mylord, bij alle plichtmatig
ontzag voor u, wil ik geen smeekeling zijn; ik zeg u, dat ik van deze
gerechtsdienaars ontslagen wensch te worden, daar ik in 's konings
belang een dringende opdracht te vervullen heb.
OPPERRECHTER. Gij spreekt alsof gij machtiging hadt om onrecht te
plegen; maar houd metterdaad uw goeden naam op en stel de arme vrouw
tevreden.
FALSTAFF. Kom hier, waardin.
(Hij neemt haar ter zijde.)
(Gower komt op.)
OPPERRECHTER. Gij daar, Heer Gower? wat meldt gij?
GOWER. De koning, heer, en Hendrik, prins van Wales, Zijn reeds
dichtbij, het verd're meldt dit blad.