OPPERRECHTER. Wij willen het er bij laten, maar laat gij het er ook
bij! maak geen slapenden wolf wakker!
FALSTAFF. Een wolf wakker te maken, is al even erg als een vos
te ruiken.
OPPERRECHTER. Denk, gij zijt als een kaars, waar de beste helft van
is opgebrand.
FALSTAFF. Een groote feestkaars, mylord, van louter vet; ik kan ook
zeggen van was, want mijn wasdom zou het bevestigen.
OPPERRECHTER. Ieder wit haar op uw gezicht moest getuigenis afleggen
van waardigheid.
FALSTAFF. En het getuigt van baardigheid, baardigheid, baardigheid.
OPPERRECHTER. Gij vergezelt den prins overal als zijn kwade engel.
FALSTAFF. Dat niet, mylord; een kwade engel is te licht; en ik hoop,
dat ieder, die mij ziet, mij voor volwichtig zal aannemen; en toch,
ik moet het erkennen, ben ik in sommige opzichten niet geldig genoeg,
niet genoeg in tel. De deugd is in deze kruidenierstijden zoo weinig in
aanzien, dat echte dapperheid berenhoeder moet worden. Scherpzinnigheid
wordt tot een tapper gemaakt en moet haar vlug vernuft aan het
optellen van rekeningen verspillen; en alle andere gaven, die den
mensch verleend zijn, worden door de boosaardigheid dezer tijden zoo
verknoeid, dat zij geen kruisbezie meer waard zijn. Gijlieden, die
oud zijt, hebt geen oog voor de talenten van ons, die jong zijn; gij
meet de hitte van onze lever naar de bitterheid van uw gal af; en wij,
die in de vaag zijn der jeugd, zijn, ik moet het erkennen, aartsguiten.
OPPERRECHTER. Durft gij uw naam op de lijst der jeugd zetten, gij,
die met alle kenmerken van ouderdom geteekend zijt? Hebt ge niet
een vochtig oog, een droge hand, gele wangen, een witten baard,
een afnemend been en een toenemenden buik? Is uw stem niet gebroken,
uw adem kort, uw kin dubbel, uw verstand simpel, en alles om en in
u aan het verouderen? en wilt gij toch nog jong heeten? Foei, foei,
foei, Sir John!
FALSTAFF. Mylord, ik werd, tegen drie uren na den middag, met een wit
hoofd en een tamelijk rond buikje geboren. Wat mijn stem betreft, die
heb ik door toejuichingen en het zingen van lofzangen bedorven. Verder
mijn jeugd bewijzen wil ik niet; de waarheid is, dat ik alleen oud
ben in verstand en doorzicht, en wie met mij om een duizend mark
luchtsprongen wil maken, moge mij het geld leenen en dan toezien. Wat
de oorveeg betreft, die de Prins u gegeven heeft, die gaf hij als een
ruwe prins, en gij hebt die ontvangen als een verstandig edelman. Ik
heb hem er duchtig over onderhouden, en de jonge leeuw doet boete,
wel is waar niet in zak en assche, maar in oude sek en nieuw atlas.
OPPERRECHTER. Nu, God geve den Prins een beter makker!
FALSTAFF. God geve den makker een beteren prins! Ik kan niet van
hem afkomen.
OPPERRECHTER. Nu, de koning heeft u en prins Hendrik gescheiden. Gij
trekt, naar ik hoor, met prins John van Lancaster tegen den
aartsbisschop en den graaf van Northumberland op.
FALSTAFF. Ja, dat heb ik aan uw lieve zoete wijsheid te danken. Maar
gij moogt wel bidden, gij allen, die jonkvrouw Rust te huis blijft
kussen, dat onze legers niet een heeten dag samen te doorstaan hebben;
want bij God in den hemel, ik neem slechts twee hemden mee, en ben
niet van plan, mij buitengewoon in het zweet te vechten. Als het een
heete dag wordt en ik zwaai dan iets anders dan mijn flesch, dan wil ik
nooit meer met blaasjes spuwen. Geen gevaarvolle onderneming kan het
hoofd opsteken, of ik word er op afgestuurd. Nu, ik kan niet eeuwig
duren. Maar het is altijd een gril van ons Engelsch volk geweest,
als zij iets goeds hebben, het voor alles te gebruiken. Als gij
volstrekt wilt volhouden, dat ik een oud man ben, dan moest men mij
rust gunnen. Gave God, dat mijn naam bij den vijand niet zoo geducht
ware als hij is, ik wierd liever van roest geheel verteerd, dan tot
niets afgeschuurd door eeuwigdurende beweging.
OPPERRECHTER. Nu, houd u goed, houd u goed, en God zegene uw
onderneming!
FALSTAFF. Wil uwe lordschap mij een duizend pond leenen voor mijn
uitrusting?
OPPERRECHTER. Geen penning, geen penning! Gij staat niet vast genoeg
op uw beenen, om zooveel pond te dragen. Vaarwel; breng mijn groeten
over aan mijn neef Westmoreland.
(De Opperrechter met zijn Dienaar af.)
FALSTAFF. Eer ik dat doe, laat ik mij liever met een driemansmoker
een knip voor mijn neus geven. Een mensch kan even zoo weinig
ouderdom en gierigheid van elkander houden, als iemand jonge
leden en liederlijkheid; maar de jicht plaagt den een, en de
Fransjesziekte knijpt die anderen, en zoo komen beide levenstrappen
mijn verwenschingen voor.--Jongen!
PAGE. Heer?
FALSTAFF. Hoeveel geld is er in mijn beurs?
PAGE. Zeven groot en twee penningen.
FALSTAFF. Ik weet geen middel tegen die uittering van de beurs; borgen
rekt en rekt de ziekte, maar de kwaal is ongeneeslijk.--Ga, breng dien
brief aan mylord van Lancaster, dezen aan den Prins en dien aan de oude
juffrouw Ursula, aan wie ik beloofd heb, dat ik haar zou trouwen, week
op week, sinds ik het eerste witte haar op mijn kin bespeurde. Vlug! je
weet, waar je mij kunt vinden. (De Page af.)--Dat de Fransjesziekte
die jicht knijpe! Of de jicht die Fransjesziekte! want één van beide
speelt den schelm met mijn grooten teen. Het doet er niets toe, of
ik hink; ik heb den oorlog, om er een kleurtje aan te geven, en mijn
pensioen wordt er des te rechtmatiger door. Een goede kop maakt van
alles gebruik, en ik wil met mijn kwalen zaken doen.
(Falstaff af.)