FALSTAFF. Wat! een jonge kerel, en bedelen! Zijn er geen
oorlogen? is er geen dienst te nemen? kan de koning geen onderdanen
gebruiken? hebben de oproerlingen geen soldaten noodig? Al is het
een schande, ergens anders dan aan de eene zijde te staan, bedelen
is nog erger schande dan aan de slechtste zijde te staan, al ware
die ook nog slechter, dan de naam oproer uitdrukken kan!
DIENAAR. Gij vergist u in mij, heer.
FALSTAFF. Wel, kerel, heb ik dan gezegd, dat gij een eerlijk man
zijt? Mijn ridderschap en soldateneer ter zijde gezet, zou ik een
logen verteld hebben om aan te stikken, als ik dit gezegd had.
DIENAAR. Ik bid u, heer, zet dan uw ridderschap en soldateneer ter
zijde, en laat ik u zeggen, dat gij een leugen vertelt om aan te
stikken, als gij zegt, dat ik iets anders ben dan een eerlijk man.
FALSTAFF. Ik u zoo iets laten zeggen? Ik ter zijde zetten, wat met
mij vergroeid is? Als ik u toelaat zoo iets te zeggen, hang mij dan
op; en als gij het uzelf toeliet, dan zou het beter voor u wezen,
al opgehangen te zijn. Gij jaagt op 't valsche spoor! pak je voort!
DIENAAR. Mylord wil u spreken, heer.
OPPERRECHTER. Sir John Falstaff, een woord met u.
FALSTAFF. Mijn waarde heer!--God beware uwe lordschap in goede
gezondheid! Het verheugt mij, uwe lordschap buitenshuis te zien;
ik had hooren zeggen, dat uwe lordschap ziek was; ik hoop, dat uwe
lordschap niet zonder verlof uitgaat. Uwe lordschap is wel is waar
de jeugd nog niet geheel voorbij, maar heeft toch reeds een kleinen
bijsmaak van ouderdom, een zweem van de pekel des tijds, en ik smeek
dus need'rig uwe lordschap, uw gezondheid allerzorgvuldigst in acht
te nemen.
OPPERRECHTER. Sir John, ik heb om u gezonden vóór uw tocht naar
Shrewsbury.
FALSTAFF. Als uwe lordschap het vergunt,--ik hoor, dat zijne majesteit
in eenigszins gedrukte stemming uit Wales is teruggekomen.
OPPERRECHTER. Ik spreek niet van zijne majesteit.--Gij hebt niet
willen komen, toen ik om u zond.
FALSTAFF. En ik hoor bovendien, dat zijne majesteit een tikje heeft
gehad van die oude hondsche apoplexie.
OPPERRECHTER. God schenke hem beterschap!--Ik bid u, ik wensch met
u te spreken.
FALSTAFF. Als uwe lordschap het vergunt, die apoplexie is, als ik
het wel heb, een soort van lethargie, een soort van slaperigheid in
het bloed, een hondsche tinteling.
OPPERRECHTER. Wat praat gij mij daarvan? laat het zijn wat het wil.
FALSTAFF. Het heeft zijn oorsprong in veel kommer, in diep denken en
overspanning van de hersens. Ik heb de oorzaak van die uitwerkselen
in Galenus gelezen; het is een soort van doofheid.
OPPERRECHTER. Ik geloof, dat gij met die kwaal behept zijt, want gij
hoort niet, wat ik u zeg.
FALSTAFF. O zeer goed, mylord, zeer goed; veeleer ben ik, met uw
verlof, geplaagd met de ziekte van niet te luisteren, de kwaal van
niet op te letten.
OPPERRECHTER. Een tuchtiging aan uw enkels zou de oplettendheid van uw
ooren beter maken; en ik zou er niet tegenop zien, uw arts te worden.
FALSTAFF. Ik ben zoo arm als Job, mylord, maar zulk een lijdzaam lijder
zou ik niet zijn. Uwe lordschap kan mij den drank der gevangenschap
opdringen; maar of ik als lijder uw voorschriften zou opvolgen,
daarover kan de wijze wel een grein van een scrupel koesteren, ja
geheel scrupuleus zijn.
OPPERRECHTER. Ik heb om u gezonden, dat ik u wilde spreken, toen er
dingen waren, die uw lijf en leden raakten.
FALSTAFF. Op raad van een in de wetten van het land doorkneden raadsman
ben ik niet gekomen.
OPPERRECHTER. Nu, de waarheid is, Sir John, dat gij in groote
losbandigheid leeft.
FALSTAFF. Die een gordel als de mijne moet omgespen, kan hem niet
strak aanhalen.
OPPERRECHTER. Uw middelen zijn zeer klein en uw vertering is zeer
groot.
FALSTAFF. Ik wenschte wel, dat het andersom was. Ik wenschte, dat
mijn inkomsten zeer groot waren, en mijn middel middelmatig.
OPPERRECHTER. Gij hebt den jongen prins op den verkeerden weg gebracht.
FALSTAFF. De jonge prins heeft mij op den verkeerden weg gebracht;
ik ben de dikke blindeman en hij is mijn hond.
OPPERRECHTER. Nu, ik wil een pas gesloten wond niet openscheuren. Uw
diensten op den dag van Shrewsbury hebben uw streken in de nacht bij
Gadshill een weinig verguld. Gij moogt het aan de onrustige tijden
danken, dat men u in rust laat met die aanklacht.