York. Een kamer in het paleis van den Aartsbisschop.
De Aartsbisschop van York, de Lords Hastings, Mowbray en Bardolf
komen op.
AARTSBISSCHOP. Thans kent gij onze taak en onze middelen;
En, eed'le vrienden, nu bid ik u allen,
Zegt vrij, wat gij van ons vooruitzicht denkt;--
Vooreerst, lord maarschalk, wat zegt gij er van?
MOWBRAY. Dat onze krijg gegrond is, geef ik toe;
Doch gaarne ontving ik meerder zekerheid,
Dat wij, met onze midd'len, 't kunnen wagen,
Met stout en dreigend voorhoofd en met kracht,
De macht des konings te gemoet te treden.
HASTINGS. Wij hebben naar de monsterrollen reeds
Een vijfentwintigduizend flinke krijgers,
En hoop op veel versterking, door den steun
Des machtigen Northumberland's, wiens borst
Van vuur, door krenkingen ontstoken, gloeit.
LORD BARDOLF. Dus is, Lord Hastings, nu de ware vraag,
Of onze vijfentwintigduizend man
Volstaan, ook zonder Lord Northumberland.
HASTINGS. O, mèt hem stellig.
LORD BARDOLF. Dit is juist de zaak;
Want, achten wij ons zonder hem te zwak,
Dan raad ik, dat wij niet te verre gaan,
Aleer zijn bijstand werkelijk ons gewordt;
Want bij een plan van zulk een bloedig uitzicht
Moet reek'nen, bouwen op onzeek're hulp,
Moet hopen, gissen uitgesloten zijn.
AARTSBISSCHOP. Zeer juist, Lord Bardolf; want de jonge Heetspoor
Was juist in dit geval bij Shrewsbury.
LORD BARDOLF. Geheel, mylord; hij voedde zich met hoop,
Met de' ijdlen klank van toegezegden bijstand,
Zich vleiend met het droombeeld eener macht,
Die minder bleek zelfs dan zijn minste raming;
Zoo, met des waanzins stouten overmoed,
Bracht hij zijn krijgers in den dood, en sprong
Zelf met gesloten oogen in 't verderf.
HASTINGS. Maar, met verlof, waarschijnlijkheid te wegen,
En hoop te voeden, heeft nog nooit geschaad.
LORD BARDOLF. Toch wel, indien de krijg, zooals 't nu is,
Een reeds begonnen zaak, een werk op gang,
Van hoop moet leven; 't is, alsof we in Maart
De knoppen zien verschijnen; voor hun rijpen
Geeft hoop min zekerheid, dan vrees het doet,
Dat vorst ze dooden zal. Vóór wij gaan bouwen,
Bezien wij eerst het erf, en teek'nen 't plan;
En, als wij de gedaante zien van 't huis,
Dan ramen wij de kosten van den bouw;
En zijn die al te hoog voor onze midd'len,
Wat doen wij dan? Op nieuw een plan ontwerpen,
Met minder kamers, of, in 't ergst geval,
Zien wij van 't bouwen af. Zoo moeten wij
Veel meer in dit groot werk, dat schier een rijk
Moet nederrijten en een nieuw rijk stichten,
De plaats, de ligging en het plan beschouwen,
Het eens zijn, hoe wij alles stevig gronden,
Bouwmeesters vragen, onze midd'len kennen,
Of zij volstaan om zulk een werk te wagen,
Elk tegenstander kunnen keeren; anders
Versterken wij ons met papier en cijfers,
Met menschennamen slechts en niet met menschen,
Als iemand, die een plan maakt van een huis,
Ver boven zijn vermogen, 't bouwt ter helfte,
Het opgeeft, en zijn stukwerk-kostlijkheid
Aan 't weenend zwerk als naakte speelpop laat,
Aan 's barren winters will'keur als een buit.
HASTINGS. Gesteld, de hoop, die nu zooveel belooft,
Bleek doodgeboren, en wij hadden nu
Den laatsten man reeds, die te wachten is,
Dan acht ik onze macht nog sterk genoeg,
Om, zonder meer, den koning 't hoofd te bieden.
LORD BARDOLF. Zijn macht is ook slechts vijfentwintigduizend?
HASTINGS. Voor ons niet meer, zelfs niet zooveel, lord Bardolf.
Hij moet die, om der tijding woeling, deelen
In drieën: één deel moet de Franschen staan;
Eén Owen Glendower; en dus, één derde slechts
Kan ons bestrijden. Dit dus splitst den koning,
Reeds zwak, in drieën; en zijn koffers klinken
Van bedelarmoê en van leegheid hol.
AARTSBISSCHOP. Dat hij die drie gedeelten samentrekt,
En met zijn gansche macht op ons zich werpt,
Valt niet te duchten.
HASTINGS. Deed hij dat, dan ware
Zijn rug ontbloot, en dit, nu Welsch- en Franschman
Hem aan de hielen bast;--neen, ducht dit niet.
LORD BARDOLF. Wie, denkt gij, voert zijn leger tegen ons?
HASTINGS. De prins van Lancaster, met Westmoreland;
Hijzelf rukt op naar Wales met Hendrik Monmouth;
Doch wie voor hem de Franschen tegentrekt,
Kwam ik nog niet te weten.
AARTSBISSCHOP. Voorwaarts dan;
En luid verkondigd, wat ten strijde ons drijft!
Reeds walgt het land van wat het zelf zich koos;
Zijn liefde, steeds te gulzig, at te veel.--
Een duiz'lig en onveilig huis bewoont
Wie op het harte van de menigt' bouwt.
O stikziend volk! Wat deed uw luid gejubel
Met "Heil u, Bolingbroke!" den hemel daav'ren,
Eer hij, wat gij hem hebben wildet, was!
En nu hij u bereid is naar uw wensch,
Hebt ge u, vraatzuchtig vee, zoo volgebrast,
Dat gij u kittelt om hem uit te spuwen.
Zoo, lage hond, hebt ge uit uw slempersborst
Den koninklijken Richard uitgeworpen;
En nu zoudt gij het doode braaksel eten,
En huilt er naar. Wie kan deze eeuw betrouwen?
Die, toen hij leefde, Richards dood begeerden,
Zijn nu verliefd geworden op zijn graf.
Gij, die hem 't edel hoofd met stof bewierpt,
Toen hij door 't fiere Londen Bolingbroke's
Gevierde hielen zuchtend volgen moest,
Roept nu: "O aard, geef ons dien koning weer;
Neem dezen!" Booze vloek, dat wij 't verleden
En 't morgen prijzen, 't heden stâag vertreden!
MOWBRAY. Dus trekken we op, den vijand te gemoet?
HASTINGS. De tijd beheerscht ons, en de tijd eischt spoed.
(Allen af.)