Londen. Een straat.
Falstaff komt op, met zijn Page, die hem zwaard en schild nadraagt.
FALSTAFF. Wel, jongen, gij reus, wat zegt de dokter van mijn water?
PAGE. Hij zeide, heer, dat het water zelf een goed en gezond water was,
maar dat de persoon, van wien het was, allicht meer kwalen kon hebben,
dan hijzelf wist.
FALSTAFF. Menschen van allerlei slag stellen er een eer in, met mij
te gekscheren. Het brein van die dwaas samengestelde klei, die mensch
heet, is niet in staat iets uit te denken, wat tot lachen dient, dan
wat ik uitdenk, of wat over mij wordt uitgedacht; ik heb niet alleen
geest in mijzelf, maar ben ook oorzaak, dat andere menschen geestig
zijn. Ik ga hier voor u uit als een zeug, die al haar biggen heeft
doodgedrukt op één na. Als de Prins u om eenige andere reden bij mij
in dienst heeft gegeven, dan om bij mij af te steken, nu, dan ben ik
een onnoozele bloed. Gij verwenscht alruintje, gij deugt veel beter
om op mijn muts gestoken te worden, dan om mijn hielen te volgen. Nog
nooit heb ik een agaatmannetje tot dienaar gehad, maar ik zal u niet
zetten in goud of in zilver, maar in voddige kleedingstukken en u
zoo aan uw meester terugzenden, als een juweel voor dezen juvenis,
dezen prins, uw meester, wiens kin nog niet vlug is. Mij zal eer een
baard in het holle van mijn hand groeien, dan hij er een op de wangen
krijgt, en toch heeft hij het hart te beweren, dat zijn gezicht een
kronengezicht is. Nu, de lieve God kan zijn gezicht afmaken als hij
wil, er is nog geen haar aan bedorven; voor hem mag zijn gezicht een
kroon of zoo waard zijn, voor een barbier niet; die zal er nooit een
paar oortjes aan verdienen. En toch kraait hij, alsof hij aldoor zich
man had genoemd, sinds zijn vader jonggezel was. Een prinselijke genade
kan hij zijn en blijven, maar bij mij is hij bijna uit de genade,
dat kan ik hem verzekeren.--Wat zeide baas Dombledon van het satijn
voor mijn korten mantel en mijn pofbroek?
PAGE. Hij zeide, heer, dat gij hem een beteren borg moest stellen
dan Bardolf; zijn schuldbekentenis en de uwe wilde hij niet aannemen;
die waarborg beviel hem niet.
FALSTAFF. Dat hij verdoemd zij als de rijke man! en dat zijn tong nog
heeter brande!--Zoo'n hondsvot van een Achitofel! zoo'n schoftige
ja-waarachtig-schelm! een man van stand aan den praat te houden,
en dan op een borgtocht te staan! Die kortharige hondsvotten dragen
tegenwoordig niet anders dan hooge schoenen, en sleutelbossen aan den
gordel, en als een man zich verwaardigt, eerlijk bij hen te borgen,
dan komen zij en eischen een borgtocht. Ik liet mij al zoo lief
rattenpoeder in den mond steken, dan dat zij mij dien stoppen met een
borgtocht. Ik wachtte, zoo waar ik ridder ben, dat hij mij vijfendertig
ellen satijn zou sturen, en hij stuurt mij een borgtocht! Nu, laat
hem maar gerust slapen met zijn borgtocht; want hij heeft den hoorn
des overvloeds en de lichtheid van zijn vrouw schijnt er doorheen;
en toch, hij kan niet zien, al heeft hij zijn eigen lantaarn om hem
te lichten.--Waar is Bardolf?
PAGE. Hij is naar Smithfield, om voor uw edelheid een paard te koopen.
FALSTAFF. Ik kocht hèm in de Paulskerk, en hij wil mij een paard te
Smithfield koopen; als ik nu nog een vrouw uit een knip kon krijgen,
was ik bediend, beknold en bewijfd.
(De Lord Opperrechter komt op, met een Dienaar.)
PAGE. Heer, daar komt de Lord, die den Prins liet inrekenen, omdat
hij hem ter zake van Bardolf geslagen had.
FALSTAFF. Stil, achter mij aan; ik wil hem niet zien.
OPPERRECHTER. Wie is het, die daar gaat?
DIENAAR. Falstaff, om uw edelheid te dienen.
OPPERRECHTER. Die in den straatroof betrokken was?
DIENAAR. Dezelfde, Mylord; maar sedert heeft hij zich bij Shrewsbury
goed gekweten, en nu; naar ik hoor, gaat hij met een commando naar
den prins John van Lancaster.
OPPERRECHTER. Wat! naar York? Roep hem terug.
DIENAAR. Sir John Falstaff!
FALSTAFF. Jongen, zeg hem, dat ik doof ben.
PAGE. Gij moet harder spreken; mijn meester is doof.
OPPERRECHTER. Ja, dat geloof ik, doof voor al wat goed is.--Ga,
trek hem aan de mouw; ik moet hem spreken.