EERSTE TOONEEL.

Warkworth. Voor het kasteel van Northumberland.

Lord Bardolf komt op.

LORD BARDOLF. Wie heeft de wacht hier? hei!

(De Portier opent de poort.)

Waar is de graaf?

PORTIER. Wien heb ik aan te melden?

LORD BARDOLF. Zeg den graaf,

Dat hier lord Bardolf staat en op hem wacht.

PORTIER. Zijn lordschap doet een wand'ling in den tuin;

Gelief, heer, aan den ingang daar te kloppen,

Dan opent hij u zelf.

(Northumberland komt op.)

LORD BARDOLF. Daar komt de graaf.

NORTHUMBERLAND. Wat nieuws, lord Bardolf, brengt ge? Thans moet elke

Minuut de moeder van een krijgsdaad zijn.

De tijd is woest, de tweedracht als een paard,

Verhit door weeldrig voêr; zij rukt zich los,

En rent nu alles neder.

LORD BARDOLF. Eed'le graaf,

Ik breng u zeker nieuws van Shrewsbury.

NORTHUMBERLAND. Als God wil, goed.

LORD BARDOLF. Zoo goed het hart kan wenschen.

De koning is schier tot den dood gewond,

En, door het goed geluk uws zoons, Prins Hendrik

Op 't slagveld zelf gedood, de beide Blunts

Door Douglas' hand verslagen; voorts: Prins John

En Westmoreland en Stafford zijn gevloden;

Prins Hendriks spekbuik, 't loggerschip Sir John,

Gevang'ne van uw zoon. O, zulk een dag,

Zoo schoon bevochten, doorgezet, gewonnen,

Heeft nooit, sinds Caesars glorievollen tijd,

Een eeuw vereeuwigd.

NORTHUMBERLAND. Doch hoe weet gij 't? komt gij

Van Shrewsbury? hebt gij den strijd aanschouwd?

LORD BARDOLF. Ik sprak, mylord, een ooggetuige, een man

Van stand en goeden naam; hij kwam van daar,

En stond volkomen voor de waarheid in.

NORTHUMBERLAND. Daar komt mijn dienaar Travers, dien ik Dinsdag

Heb uitgezonden om mij nieuws te brengen.

LORD BARDOLF. Mylord, ik reed hem onderweg voorbij;

Geen andre zekerheid verschaft hij u,

Dan die hij mij misschien kan navertellen.

(Travers komt op.)

NORTHUMBERLAND. Nu, Travers, welk een goed bericht brengt gij?

TRAVERS. Mylord, Sir John Umfrevile deed mij keeren

Met blijde tijding, en reed door, veel beter

Dan ik bereden. Weldra kwam mij spoorslags

Een heer op zij, schier uitgeput van 't jagen,

En liet zijn bloedig ros op adem komen.

Hij vroeg den weg naar Chester, en ik vorschte

Bij hem, wat nieuws er was van Shrewsbury.

Hij zeide: de opstand had daar geen geluk,

Des jongen Hendrik Percy's spoor was koud.

Toen vierde hij zijn edel ros den teugel,

En stiet, vooroverbuigend, 't arme dier

De scherpe hielen in het hijgend lijf

Tot aan den spoorknop; ijlings vloog hij heen,

En scheen den weg al rennend te verslinden,

Geen verder vragen wachtend.

NORTHUMBERLAND. Wat!--Nog eens!

Des jongen Hendrik Percy's spoor was koud?

Werd Heetspoor Koudspoor? en het oproer had

Daar geen geluk?

LORD BARDOLF. Mylord, laat mij u zeggen,

Heeft niet de dag zich voor uw zoon verklaard,

Voorwaar, dan geef ik voor een gouden nestel

Mijn baronie en al; geen woord er van!

NORTHUMBERLAND. Doch waarom zou die heer, dien Travers sprak,

Zoo bondig dan een neêrlaag melden?

LORD BARDOLF. Hij?

Een schooier was hij wis, en had het paard,

Waarop hij reed, gestolen;--bij mijn ziel,

Hij sprak slechts wat hem inviel.--Zie, meer tijding!

(Morton komt op.)

NORTHUMBERLAND. Ja, 't voorhoofd van dien man spelt, als de titel

Eens treurzangs, reeds den aard van zijn bericht.

Zoo is het strand, waarop de onstuim'ge zee

De sporen van haar inbraak achterliet.--

Spreek, Morton, spreek, komt gij van Shrewsbury?

MORTON. Ik rende weg van Shrewsbury, mylord;

Daar deed de dood haar gruwlijkst mom, tot schrik

Der onzen, voor.

NORTHUMBERLAND. Spreek, leeft mijn zoon, mijn broeder?--

Gij siddert, en de bleekheid uwer wang

Meldt beter uwe boodschap dan uw mond.

Juist zulk een man, zoo mat, zoo moedeloos,

Zoo strak, zoo doodsch van blik, zoo diep geknakt,

Schoof Priamus' gordijn in 't holst der nacht

Ter zijde, als bode, dat half Troje brandde;

Eer dan hij 't woord, vond Priamus de vlam;

Zoo ik mijn Percy's dood, eer gij dien meldt.

Gij wildet zeggen:--dit, dit deed uw zoon,

Uw broeder dit, en zoo streed de eed'le Douglas,

Om met hun roem mijn gretig oor te vullen;

Maar in het eind, ja, stopt gij 't dan voor goed,

En slaakt ge een zucht, die al dien lof verwaait;

Uw slot is: broeder, zoon en allen dood.

MORTON. Uw broeder leeft, alsnog, en Douglas ook;

Maar van mylord uw zoon--

NORTHUMBERLAND. Ja, die is dood.--

Zie, wat is kwaad vermoeden vlug van tong!

Hij, die iets ducht, wat hij niet weten wil,

Weet bij instinct, uit andrer blikken reeds,

Dat waar is, wat hij ducht. Toch Morton, spreek:

Zeg aan uw graaf, dat zijn voorspelling liegt;

Recht welkom zal mij die beschimping zijn,

En 'k maak u rijk, zoo gij aldus mij smaadt.

MORTON. Gij zijt te groot, dan dat ik mag weerspreken;

Uw geest spelt al te waar, uw vrees te juist.

NORTHUMBERLAND. Dit zij zoo; zeg toch niet, dat Percy dood is.--

Ik lees een vreemde erkent'nis in uw oog;

Gij schudt het hoofd en acht het zonde of schrikk'lijk,

Waarheid te spreken. Is hij dood, zoo zeg het;

Die tong misdoet niet, die zijn dood bericht;

Hij zondigt, die van dooden leugens spreekt,

Niet hij, die van een doode zegt: hij leeft niet;

Toch, de eerste brenger van onwelkom nieuws

Heeft een ondankb'ren post, en later klinkt

Zijn tong steeds als een doffe klank en doet

Ons de uitvaart eens verscheiden vriends herdenken.

LORD BARDOLF. 'k Sla geen geloof, heer, aan den dood uws zoons.

MORTON. Het smart mij, dat ik u moet doen gelooven,

Wat God gaav', dat ik nooit had moeten zien;

Maar 'k zag het met deze oogen, hoe hij bloedend,

Mat, ademloos, slechts zwakken wederstand

Aan Hendrik Monmouth bood, wiens rassche gramschap

Den nooit versaagden Percy sloeg ter aard,

Van waar hij nimmer levend op zou rijzen.

Genoeg, de dood van hem, wiens geest en moed

Den laagsten knecht in 't leger vuur verleende,

Ontnam, eens ruchtbaar, allen gloed en vuur,

Zelfs aan des legers bestgestaalden moed;

Want zijn metaal verstaalde zijn partij,

En toen dat meegaf, keerden al die andren

Weer tot hun aard, tot zwaar en vadzig lood.

Gelijk elk ding, dat zwaar is uit zijn aard,

Door felle kracht gedreven, 't snelste vliegt,

Zoo leende ons volk, bezwaard door Heetspoors val,

Aan dien last door hun vrees zoo snelle vaart,

Dat nooit een pijl zoo snel naar 't doelwit vloog,

Als de onzen, met hun veiligheid tot doel,

Van 't slagveld vloden. Toen werd de eed'le Worcester

Welras gevangen, en de wilde Schot,

Douglas, de man des bloeds, wiens ijv'rend zwaard

Driemaal des konings evenbeeld versloeg,

Versaagde en leende een glimp van eer aan hen,

Die schand'lijk vloden; onder 't vluchten struik'lend

Door haastige angst, werd hij gevat. Kortom,

De koning heeft de zege, en zond reeds, heer,

Een vliegend leger, om u aan te grijpen;

't Bevel is aan den jongen Lancaster

En Westmoreland vertrouwd. Nu weet gij alles.

NORTHUMBERLAND. 'k Zal lang genoeg hierover kunnen treuren.

In gift schuilt artsenijkracht; en dit nieuws,

Dat, ware ik wel, mij krank gemaakt zou hebben,

Maakt, nu ik krank ben, bijna mij gezond;

Gelijk in koorts de lijder, wiens gewrichten

Als slappe hengsels knikken onder 't lijf,

Wild door den aanval, aan der wakers handen

Zich als een vuur ontwringt, zoo zijn mijn leden,

Door smart verzwakt, maar nu, door smart versterkt,

Driemaal zichzelf. Dus weg, gij week'lingskruk!

Een schubbehandschoen dekk' met staalgewrichten

Nu deze hand! En weg, gij ziekenhoofddoek!

Gij zijt een schuts, te weeldrig voor het hoofd,

Waar vorsten, dronken van hun zege, op doelen!

Brengt ijzer voor mijn slapen, en dan nake

't Ruwst uur, dat tijd en haat mij brengen durft,

En dreig' den woedenden Northumberland!

Kus, hemel, de aard, en gij, natuur, laat vrij

De wildste stroomen los! Gij, orde, sterf;

Niet langer zij de wereld een tooneel,

Dat burgerkrijg vertoont met slepend leven;

Neen, heersche één geest des eerstgeboren Kaïns

In aller borst, opdat, als ieder hart

Zijn bloedpad volgt, de schrikvertooning eindig',

En duisternis de dooden dan begraav'!

TRAVERS. Die heftigheid doet u geen goed, mylord.

LORD BARDOLF. Uw eer breek' niet met wijsheid, eed'le graaf.

MORTON. Het leven van uw trouwe vrienden hangt

Gansch van uw welzijn af; dit moet bezwijken,

Wanneer gij toegeeft aan den storm der smart.

Gij hebt het krijgsgeluk gewogen, heer,

De kansen nagegaan, aleer gij spraakt:

"Nu stand gehouden!" Gij voorzaagt en wist:

Uw zoon kon vallen in het strijdgewoel; zijn pad,

Een smalle kant was 't over doodsgevaren,

Waar elk eer in stort dan er over komt;

Gij hebt geweten, dat voor stoot en houw

Zijn vleesch ontvanklijk was, en dat zijn strijdlust

Hem midden in het felst gevaar zou drijven;--

Toch zeidet gij: "trek op!" Niets van dit alles,

Hoe zorglijk het ook wezen mocht, vertraagde

Het plan, dat doorging;--wàt dus is gebeurd,

Wàt heeft dit koene waagstuk nu gebracht,

Dan dat geschied is, wat vermoed kon worden?

LORD BARDOLF. Wij allen, wien 't verlies meê aangaat, wisten,

Dat wij op zulk een booze zee ons waagden,

Dat ons behoud als tien was tegen een;

Toch waagden wij het, want de hoop op winst

Deed ons 't gevaar, hoe dreigend ook, niet achten.

Wij sloegen om, maar wagen 't gaarne op nieuw,

En zetten alles, lijf en goed, op 't spel.

MORTON. 't Is meer dan tijd; en, mijn hoogeed'le heer,

Ik hoor als zeker en ik spreek de waarheid,

Dat de aartsbisschop van York alreeds gereedstaat

Met welvoorziene macht; hij is een man,

Die met een dubble macht zijn aanhang bindt.

Uw eed'le zoon had slechts den vorm, de schaduw,

De lichamen van mannen voor den strijd;

Dat ééne woord, 't woord oproer, hield hun zielen

Vervreemd van alles, wat hun lichaam deed;

Met tegenzin slechts vochten zij, gedwongen,

Zooals men drankjes slikt; hun waap'nen stonden,

Niet zìj, aan onzen kant; hun geest, hun ziel

Was in hen, door 't woord oproer, stijf bevroren,

Als visschen in een vijver. Maar de bisschop

Verkeert thans oproer in godsdienstigheid;

Hem acht men als oprecht en vroom van zin;

Hij schaart met lichaam en met ziel hen om zich,

En voedt met Richards dierbaar bloed zijn opstand,

Dat bloed, dat hij van Pomfret's steenen krabt;

Noemt zìjne klacht en zaak des hemels zaak;

Noemt zich beschermer van een bloedend land,

Dat zieltoogt onder koning Bolingbroke;

En groot en klein stroomt naar zijn standaard saam.

NORTHUMBERLAND. Dit wist ik reeds, doch,--waarheid zij erkend,--

't Was door dit leed mij uit de ziel gewischt.

Komt met mij binnen; ieder uwer rade

Den besten weg tot wraak en veiligheid.

Werft vrienden, werft ze ras, met brief en bode;

Nooit waren zij zoo schaarsch, en zoo van noode.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Vierde · 第 45 / 79 题