AANTEEKENINGEN.

Het eerste tooneel van dit stuk sluit zich onmiddellijk aan het laatste

van "K. Richard II" aan; de onlusten, waarop koning Hendrik in den

eersten regel doelt, die hem schokten en bleek van angst deden zijn,

waren dezelfde, wier onderdrukking hem in het laatste tooneel van

het vorige stuk door boden bericht wordt.--Ongetwijfeld is dit stuk

kort na het vorige ontstaan en toch legt het in veel hoogere mate

getuigenis af van de scheppende kracht des dichters. Hier leverde

de kroniek hem weinig meer dan den gang der gebeurtenissen; de rijke

karakterteekening is geheel de schepping van zijn geest.

Dit eerste deel van "Koning Hendrik de Vierde" behandelt de

gebeurtenissen, die in het derde en vierde regeeringsjaar (1402 en

1403) van dezen eersten koning uit het huis van Lancaster vallen,

namelijk den afval van den Noord-Engelschen adel, die, na aan

Bolingbroke den troon verschaft te hebben, in verzet kwam, toen

het bleek, dat de nieuwe leenheer de rechten der kroon nadrukkelijk

handhaafde. Bij dien afval speelde de machtige familie der Percy's,

uit Northumberland, de hoofdrol; de moedige Heetspoor was onder hen de

beroemdste.--De naaste aanleiding tot den burgeroorlog was de volgende.

Heetspoor had een groote overwinning op de Schotten, die door den graaf

van Douglas werden aangevoerd, bevochten, bij Nesbit. Douglas wist

op nieuw een macht te verzamelen, waarmede hij weder een inval deed,

maar met zeer ongunstigen uitslag, want hij werd door de Engelschen

onder aanvoering van Heetspoor en George, Graaf van March, bij Holmedon

allergeweldigst aangevallen (1402); een schrikkelijke slachting werd

aangericht onder edelen en gemeenen, en velen werden gevangen, zooals

Mordake, graaf van Fife, zoon van den hertog van Albanië, den regent

van Schotland, verder Archibald graaf Douglas, die in den slag een

oog verloor, en anderen. De koning eischte hun deze gevangenen af,

bewerende, dat zij aan hem behoorden te worden uitgeleverd, maar de

Percy's ontkenden dit en stonden hem alleen Mordake, graaf van Fife,

af. Zij kwamen naar Windsor en eischten van den koning, dat hij Edmund

Mortimer, den broeder van den in Ierland gesneuvelden graaf van March

(zie blz. 467, alsmede de geslachtslijst) en van Heetspoor's vrouw,

zou vrijkoopen uit zijn gevangenschap bij Owen Glendower. De koning

weigerde dit en de Percy's gingen verbitterd heen.

De zoo even genoemde Owen Glendower woonde in Noord-Wales en was

een geduchte tegenstander der Engelschen. Hij had de vaan der

onafhankelijkheid van Wales geheven en trachtte, door Frankrijk

ondersteund, den vorstenrang in Wales door strijd te erlangen. In

1401 had hij Reginald de Grey en Edmund Mortimer overwonnen,

een geweldige slachting onder de hunnen aangericht,--waarbij de

Wallisische vrouwen de lijken zelfs mishandelden,--en de beide

aanvoerders gevangengenomen. Glendower ging bij het volk voor een

toovenaar door, die de geesten der bergen tot zijn dienst kon dwingen.

Glendower ontsloeg na eenigen tijd Edmund Mortimer uit zijn

gevangenschap, verzoende zich met hem en gaf hem zijn dochter ten

huwelijk. Door tusschenkomst van Mortimer kwam een verbond tot stand

tusschen hem en de Percy's, waarbij zich ook de door hen vrijgelaten

Douglas aansloot.

Toen koning Hendrik in den zomer van 1403 tegen de Schotten optrok,

verhief Percy Heetspoor in zijn rug de vaan des opstands en riep door

proclamaties het volk te wapen. Koning Hendrik handelde met spoed,

wierp zich tusschen de macht van den graaf van Northumberland en

diens zoon Percy in, en verhinderde hun vereeniging. Op 21 Juli 1403

had de slag bij Shrewsbury plaats, waarin, na hardnekkigen strijd, de

koning de overwinning behaalde, Percy Heetspoor sneuvelde, Douglas,

Worcester (broeder van Northumberland en oom van Heetspoor) en vele

anderen gevangengenomen werden. De persoonlijke moed van den koning

had veel tot de overwinning bijgedragen; zijn zoon, de zestienjarige

Prins, had zich mede recht dapper gekweten, en was, schoon door een

pijl in het gelaat gewond, niet te bewegen geweest het slagveld te

verlaten; hij had tot het einde toe meegestreden; er is echter geen

enkel bewijs, zelfs geen overlevering, dat hij persoonlijk Heetspoor

zou geveld hebben. Door de overwinning bij Shrewsbury was de opstand

voor goed gefnuikt

Dit gedeelte der geschiedenis werd, met enkele later aan te wijzen

bijzonderheden, door Shakespeare aan Holinshed ontleend.--Die gedeelten

van zijn stuk, waarin de Prins met Falstaff verkeert, mag men geheel

zijn eigen, ongeevenaarde schepping achten, tot welke Holinshed,

en waarschijnlijk ook de volksoverlevering, niets dan de aanleiding

hebben verschaft. Holinshed vermeldt, dat Hendrik van Monmouth,--zooals

de prins naar zijn geboorteplaats genoemd werd,--als jong mensch zich

aan een woesten levenswandel heeft overgegeven en met ruwe menschen van

lageren stand omging, maar bij zijn troonsbeklimming een ander mensch,

een toonbeeld van alle vorsten- en christendeugden geworden is. Hij

vertelt ook, dat de Prins eens den Lord-Opperrechter geslagen heeft,

omdat die een zijner makkers bestrafte en dat hij voor dit vergrijp in

hechtenis is genomen. Raadpleegt men andere, meer betrouwbare bronnen,

dan kan men er ten minste uit gissen, dat de Prins geenszins altijd

bedaard geleefd heeft en met zijn vader wel eens op gespannen voet

geweest is. Zeker is het, naar echte bescheiden, dat hij in één jaar

vrijdom van rechten genoot voor honderd tonnen wijns, die voor hem

werden aangevoerd, dat zijn oom, de bisschop van Winchester, eens 826

pond sterling betaalde, om schulden voor hem af te doen, en dat hij

nog als koning schuldeischers uit zijn jeugd afbetaalde. Ook is het

bekend, dat hij zijn zetel in den geheimen raad verloor.--Men ziet,

dat Shakespeare niet zonder grond den Prins in het gezelschap bracht,

waarmede hij hem in dit stuk laat verkeeren, maar het zij hier tevens

opgemerkt, dat de Prins, terwijl hij zich verlustigt in de zwakheden

van zijn metgezellen, steeds zichzelf en den toestand beheerscht,

geen oogenblik het gevoel voor het grootsche en koninklijke verliest,

dat zijn eigenlijk wezen door zijn uitspattingen niet wordt aangetast,

en dat hij, met zijn vroeger leven brekend en als waardig koning

optredend, zich geenszins plotseling behoeft te bekeeren; hij

beheerscht zoowel de hoogten als de diepten des levens. En als om de

lagere sferen, waarin de Prins zich beweegt, te veredelen, treedt

daarin de grootste komische figuur, die ooit een dichter geschapen

heeft, Sir John Falstaff, op.

Het eerste denkbeeld voor deze tooneelen is misschien, ja

waarschijnlijk, bij den dichter opgekomen door een zeer ruw

tooneelgewrocht, dat reeds in 1588 werd uitgegeven en later meer dan

eens herdrukt werd: "The famous Victories of Henry the Fifth." De

Prins komt daarin voor als omgaande met een troep woeste knapen,

wier eenige geest daarin bestaat, dat zij vloeken, drinken, vechten

en straatroof plegen; de Prins doet even hard mede als de anderen. De

herberg te Eastcheap ontbreekt niet, en onder het gezelschap des

Prinsen vindt men een Gadshill en een Ned (Edu), alsmede een man van

buitengewonen lichaamsomvang, Sir John Oldcastle of Jockey genoemd,

die, schoon hij geen enkel geestig woord zegt, om zijn dikte door

het publiek met Sir John Falstaff vergeleken, of zelfs met hem

vereenzelvigd werd. Shakespeare vond het noodig, in den epiloog,

waarmede het tweede deel van "Koning Hendrik de Vierde" eindigt, tegen

de verwisseling op te komen van Falstaff met dezen Sir John Oldcastle,

die den naam droeg van den edelaardigen, ridderlijken voorvechter der

Wycliffieten, welke eens met Hendrik V bevriend was, maar, daar nòch

's konings aandrang, nòch iets anders hem kon bewegen, om zijn geloof

te verzaken, als martelaar gestorven is. Hij is bespot geworden bij

het volk, omdat hij, ridder en krijgsman, als prediker optrad; en

misschien gaf dit den schrijver der Famous Victories aanleiding tot

het bezigen van dezen naam. Shakespeare echter wijst uitdrukkelijk

op zijn martelaarschap, en zegt, dat Oldcastle niets met Sir John

Falstaff gemeen heeft.--Het is met dit al zeer wel mogelijk, dat de

dikke ridder ook bij Shakespeare eerst den naam van Oldcastle droeg

en dat de ergernis, die dit gaf, den naam deed veranderen.

Het Eerste deel van "Koning Hendrik de Vierde" werd in 1598

uitgegeven, zonder den naam des dichters; in 1599 op nieuw, met meer

drukfouten, maar met de leugenachtige bijvoeging op den titel "op nieuw

gecorrigeerd door William Shakespeare". Nog drie andere afzonderlijke

uitgaven, in quarto, 1604, 1608, 1615 gingen aan die in folio, 1623,

vooraf, en leggen getuigenis af voor de populariteit van dit stuk.

I. 1. 40. Glendower. De naam is tweelettergrepig uit te spreken,

Glendaur, en de klemtoon op de laatste lettergreep te leggen.

I. 1. 70. Mordake, de graaf van Fife en oudste zoon Van de'

overwonnen Douglas. Hier heeft Shakespeare zich vergist; Mordake,

graaf van Fife, was de zoon van den Hertog van Albanië, regent van

Schotland. De vergissing ontstond door een drukfout in Sh.'s bron,

Holinshed's kroniek. Als gevangenen worden daar opgenoemd: Mordake

earl of Fife, son to the Governor Archembald Earl Douglas. Tusschen

Governor en Archembald moest een komma staan. Hierdoor viel ook de

vermelding van Douglas als gevangene weg.

I. 1. 95. Slechts Mordake, graaf van Fife. Naar toenmalig krijgsrecht

bleef een krijgsgevangene ter beschikking van wie hem gevangennam,

als het losgeld niet hooger was dan tienduizend kronen. Voor Mordake

was dit wel het geval.

I. 2. 16. Den dolenden ridder fijn. Een toespeling op den schoonen

dolenden Ridder van de zon, dien Falstaff hier schertsenderwijs

met den zonnegod vereenzelvigt. Zijn avonturen werden in 1585 in

Engeland uitgegeven. Ook in den Don Quichote is van dezen Ridder van

de zon sprake.

I. 2. 22. Neen, zeker niet, zelfs niet voor de kleinste pekelzonde. In

het oorspronkelijke is hier een woordspeling met het woord grace,

dat behalve genade ook het gebed aan tafel beteekent. Er staat:

Gij hebt geen grace genoeg, om er een proloog van te maken bij een

boterham met een eitje.

I. 2. 48. Is er iets meer boeiends dan een man in een buffelleeren

wambuis? De gerechtsdienaars droegen zulk een leeren buis. In 't

Engelsch staat robe of durance. Durance beteekent zoowel duurzaamheid

en een duurzame stof, als opsluiting en gevangenis.--Een oogenblik

later wordt Falstaff's what a plague door den Prins verzacht tot what

a pox; wat pest, en wat pokken; hier "voor den duivel" en "wat weêrga."

I. 2. 80. Als mijn getrouw aanhanger. In het Engelsch: For the

obtaining of suits? Dit kan beteekenen: "om een bede gedaan

te krijgen", maar ook: "om kleederen te verkrijgen", en in den

laatsten zin vat Falstaff de vraag op, daar de beul de kleederen

der terechtgestelden kreeg en dus in een drukken tijd, zooals na een

opstand volgde, een welgevulde kleerkas kon bekomen.

I. 2. 85. Of als de baspijp van een Lincolner doedelzak. Uit

Lincolnshire kwamen veel rondtrekkende doedelzakblazers, die bij

volksvermakelijkheden dienst deden. Bij het vervolg zij opgemerkt,

dat de haas in Sh.'s tijd voor een melancholiek dier doorging; en

verder, dat de stadsgracht van de oude stad, de city van Londen,

in zijn tijd nog bestond, en dat het gedeelte tusschen Bishopsgate

en Cripplegate, Moorditch geheeten, niet alleen stinkend, modderig

en zwart was, maar bovendien door een ongezond moeras omzoomd werd.

I. 2. 101. Gij hebt vloekwaardige aanhalingen. Een aanhaling, als

Prins Hendrik juist uit de spreuken van Salomo deed, werd door de

strenge protestanten zondig gerekend en was ook door een statuut van

K. Jacobus I verboden. Daarom is dan ook het citaat in de folio-uitgave

van 1623 verminkt, zoodat daar Falstaff's antwoord zinledig wordt.

I. 2. 125. Sir John Sek-met-suiker. In de 16de en 17de eeuw werd

de wijn dikwijls met suiker verzoet. Sek is Malaga- of Xereswijn

(Sherry), vino secco, vin sec.

I. 2. 139. Naar Gadshill. Een streek aan den weg van Londen naar

Kent, die inderdaad berucht was wegens de straatrooverijen, die er

plaats grepen.--Gadshill is ook de naam van een der straatroovers,

die Falstaff vergezellen.--Eastcheap is een straat in Londen,

waar de herberg "het Zwijnshoofd" inderdaad bestond. Zij was reeds

tijdens Koning Richard II bekend en werd door den grooten brand van

Londen vernield; de daarna gebouwde moest voor de oude London-bridge

wijken.--In deze straat bezat Prins Hendrik een huis.

I. 2. 156. Gij zijt ook niet van koninklijken bloede enz. In het

Engelsch: thou camest not of blood royal, if thou darest not stand

for ten shillings. Royal is "koninklijk", maar ook een goudstuk van

tien schellingen waarde.

I. 3. 80. Dien verdwaasden Mortimer. Shakespeare volgt Holinshed,

en deze verwart steeds Sir Edmund Mortimer, den jongeren broeder van

den in Ierland opgekomen Roger, graaf van March, met den zoon van

den laatste, ook Edmund geheeten (zie de geslachtslijst). De lijn der

Mortimers stamde van den derden zoon van Edward III af en had dus een

nader recht op den troon dan Hendrik IV, wiens vader, Jan van Gent,

de vierde zoon was. De jonge graaf Edmund van March, in dezen tijd pas

tien jaar oud, wien de kroon eigenlijk toekwam, werd door Hendrik IV

te Windsor opgevoed, met andere woorden, bewaakt en gevangengehouden;

hij werd eerst door Hendrik V vrijgelaten, doch stierf kort daarna. De

hier bedoelde Sir Edmund Mortimer, de oom van den knaap en broeder

van Lady Percy, werd de schoonzoon van Owen Glendower.--Niet alleen

Holinshed, maar ook andere geschiedschrijvers hebben de twee Edmunds

verward en vereenzelvigd.

I. 3. 87. Met wat immer dreigde, En nu zichzelf ten val bracht, ons

verdragen. In het oorspronkelijke staat: And indent with fears, when

they have lost and forfeited themselves. Dat fear iets kan beteekenen,

dat schrik aanjaagt, dat dreigt, een voorwerp van vrees, is niet te

ontkennen en wordt door verscheiden plaatsen uit Sh. bewezen; men zie

o. a. Hamlet III, 3, 25, Romeo en Julia IV, 2, 50, II Hendrik V. 5,

196. Het komt mij dus geheel onnoodig voor, fears in peers, feres,

foes, of fools te veranderen.

I. 3. 156. Edmund Mortimer. Niet Edmund, maar Roger was door Richard

II als erfgenaam des troons erkend.

I. 3. 208. Maar dit halfslachtig bondgenootschap, weg! In 't Engelsch

staat half-faced, een half gezicht vertoonend. Percy wil in zijn

opgewondenheid elk gevaar alleen tarten, en luistert nog niet naar

zijn oom Worcester, die het plan slechts even aangeduid en dadelijk

op het gevaar gewezen heeft. Van angstige helpers of bondgenooten

wil Heetspoor niets weten. Eerst later, als hij bespeurt, dat er

van een grootschen opstand sprake is, heeft hij er ooren naar, en

dan terstond.--Van Heetspoor zij hier nog aangeteekend, dat hij zijn

bijnaam van de Schotten ontving, met wie hij schier altijd in twist

was. Hij was bij den slag te Holmedon 35 jaar oud en dus vrij wat

ouder dan Shakespeare hem schetst, veel ouder dan Hendrik Monmouth.

I. 3. 254. Mijn waarde! Wierd hij een schim, die waarde. In 't Engelsch

vindt men een andere woordspeling: Kind cousin, O the devil take such

cozeners! (bedriegers).

I. 3. 261. Douglas' zoon. Dit is niet juist, ten gevolge van de

drukfout in Holinshed; zie boven de aant. op I. 1. 70.

I. 3. 271. Zijns broeders dood in Bristol. De broeder van den

aartsbisschop was Lord Scroop, graaf van Wiltshire, aan wien Richard

II de rijksinkomsten verpachtte, en die door Bolingbroke te Bristol

terechtgesteld werd.

II. 1. 11. Wurmen. In 't Engelsch the bots, eigenlijk de horzelmaskers

of horzellarven, die in de maag van het paard gevonden worden. Een

Nederlandsche volksnaam er van is mij niet bekend, het algemeene

woord wurmen moge dienen. Trouwens de voerman heeft het glad mis,

als hij meent, dat de horzelmaskers door vochtig voer in de maag komen.

II. 1. 24. Sinds de haver opsloeg. In 1596 was het graan zeer duur

door misgewas.

II. 1. 27. Charingcross. Toen nog geen deel van Londen, maar een plaats

op weg van Londen naar Westminster, dat toen nog een afzonderlijke

stad was.

II. 1. 40. Bedaard wat! De karrelieden vertrouwen blijkbaar Gadshill

niet, en schepen hem af.

II. 1. 77. Trojanen. Trojaan, oorspronkelijk een held, had de

beteekenis van vechtersbaas, zwerver, schooier gekregen; evenzoo werd

Sint-Nikolaas, oorspronkelijk de patroon van reizende scholieren,

later beschermer van landloopers en struikroovers.

II. 1. 89. Zij roepen het niet aan, maar houden het aan. In 't

Engelsch: not pray to her, but prey on her. Daarop volgt weder

een woordspeling met boots, dat buit en laarzen beteekent, en dan

met liquored, dat smeren (van laarzen) en dronken maken beteekenen

kan. Varenzaad, waarvan daarna gesproken wordt, is nagenoeg onzichtbaar

en wordt als middel vermeld, waarmee iemand, die het bij zich draagt,

zich onzichtbaar kon maken. Maar het moet alsdan op St.-Jans-avond

en op het uur van de geboorte des heiligen ingezameld zijn.

II. 1. 104. Homo is een algemeene naam van alle menschen. Gadshill wil

zeggen: "Die onderscheiding niet, van eerlijke menschen en spitsboeven;

iedereen is een mensch; ik ben niet anders dan een ander". De zinsnede

is een aanhaling uit een kleine Latijnsche spraakkunst, The Accedence,

toen ter tijd, sedert 1493, algemeen in gebruik.

II. 2. 43. Dat ze straatliedjes maken op jullie allen. Moord- en

rooversgeschiedenissen maakten den hoofdinhoud van straatdeuntjes uit.

II. 2. 70. Zijn magerheid, Jan van Gent. In 't Engelsch staat alleen

John of Gaunt, daar gaunt mager beteekent.

II. 3. 1. Doch wat mijzelf betreft. De brief is van een Schotschen

edele, door Heetspoor tot meêdoen aan den opstand aangezocht.

Koning Hendrik de Vierde · 第 37 / 79 题