Een ander gedeelte van het slagveld.
Krijgsgedruisch en aanvallen. Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John
en Westmoreland komen op.
KONING HENDRIK. Ik bid u, Hendrik,
Verlaat het slagveld, want gij bloedt te sterk.--
Lord John van Lancaster, ga gij met hem.
PRINS JOHN. Ik niet, mylord; dan moet ikzelf eerst bloeden.
PRINS HENDRIK. Ik bid uw majesteit, spoed u naar voren;
Licht wekt uw afzijn onrust bij uw vrienden.
KONING HENDRIK. Dat wil ik doen.--
Lord Westmoreland, leid gij hem naar zijn tent.
WESTMORELAND. Kom dan, mylord, ik leid u naar uw tent.
PRINS HENDRIK. Mij leiden, Heer? Ik heb uw hulp niet noodig;
Verhoede God, dat om een lichte schram
De prins van Wales een veld als dit verlaat,
Waar roodgekleurd in 't stof onze adel ligt,
En 't oproer om het bloedbad triumfeert!
PRINS JOHN. Te lang gerust reeds.--Kom, neef Westmoreland;
Plicht roept ons op naar ginds; om Gods wil, kom.
(Prins John gaat met Westmoreland heen.)
PRINS HENDRIK. Bij God, gij deedt mij dwalen, Lancaster;
Zoo hoog had ik uw krijgsdeugd niet geschat:
'k Had, John, u vroeger als een broeder lief;
Thans maakt ge deel uit van mijn eigen ziel.
KONING HENDRIK. Ik zag, hoe hij Lord Percy zich van 't lijf hield,
En dat zoo kloek en rustig, als ik nooit
Van zulk een onvolwassen krijger wachtte.
PRINS HENDRIK. O, deze knaap leent allen moed en vuur.
(Prins Hendrik af.)
(Strijdgedruisch. Douglas komt op.)
DOUGLAS. Alweer een koning!
Zij groeien telkens uit als Hydrakoppen.
Ken mij als Douglas, voor een elk verderflijk,
Die deze kleuren draagt.--Spreek, wie zijt gij,
Die naar den schijn een koning wezen wilt?
KONING HENDRIK. De koning zelf, wien 't, Douglas, innig grieft,
Dat gij zoo vele van zijn schimmen aantroft,
En niet den koning zelf. Ik heb twee knapen,
Die Percy en uzelf op 't slagveld zoeken;
Doch nu 't geluk aan mij u tegenvoert,
Zal ik den strijd beproeven; weer u dus.
DOUGLAS. Ik vrees, dat gij ook weer een namaak zijt,
Schoon gij, voorwaar, u voordoet als een koning;
Doch wie gij zijt, mijn zijt gij, dit bezweer ik;
En zóó maak ik u mijn.
(Zij vechten; terwijl de Koning in gevaar verkeert, komt Prins
Hendrik op.)
PRINS HENDRIK. Houd thans het hoofd omhoog, gij snoode Schot,
Of nu, of nimmermeer! want in mijn kling
Zijn Shirley's, Blunt's en Stafford's wakk're geesten;
Het is de prins van Wales, die u bedreigt,
Die nooit belooft, dan als hij wil betalen.
(Zij vechten; Douglas vlucht.)
Houd moed, mijn vorst; hoe gaat het uw genade?--
Sir Nic'laas Gawsey heeft om hulp gevraagd,
En Clifton ook; ik spoed mij nu tot Clifton.
KONING HENDRIK. Neen, blijf en rust een oogwenk!
Herwonnen hebt gij uw verloren achting,
En door de redding, die gij mij daar bracht,
Getoond, dat u mijn leven wel iets waard is.
PRINS HENDRIK. O God, zij deden mij te gruw'lijk onrecht,
Die zeiden, dat ik haakte naar uw dood.
Als dit zoo was, behoefde ik Douglas' hand,
Die u bedreigde, slechts niet af te wenden,
Want die had wis uw levenstijd voleind,
Zoo snel als een'ge moorddrank het vermocht,
En zóó uw zoon verraderswerk bespaard.
KONING HENDRIK. IJl gij naar Clifton; ik wil zelf naar Gawsey.
(Koning Hendrik af.)
(Heetspoor komt op.)
HEETSPOOR. Zie ik het wel, dan zijt gij Hendrik Monmouth.
PRINS HENDRIK. Gij spreekt, als wilde ik mijnen naam verlooch'nen.
HEETSPOOR. Mijn naam is Hendrik Percy.
PRINS HENDRIK. Nu, dan zie ik
Een overdapp'ren muiter van dien naam.
Ik ben de prins van Wales; en waan niet, Percy,
Dat gij nog een'gen roem meer met mij deelt;
Twee sterren loopen niet in éénen kring,
En 't eenig England duldt geen dubbelrijk
Van Hendrik Percy en den prins van Wales.
HEETSPOOR. Dit zal 't niet doen, want, Hendrik, 't uur is daar,
Dat een van ons bezwijkt; en waar', God gave 't!
Uw wapenroem zoo groot nu als de mijne!
PRINS HENDRIK. Ik maak hem grooter, eer ik van u scheide,
En iedere eer, die op uw helm ontluikt,
Ik pluk en vlecht ze tot een krans voor mij.
HEETSPOOR. Niet langer duld ik zulk een ijd'le taal.
(Zij vechten.)
(Falstaff komt op.)
FALSTAFF. Goed zoo, Hein! er op los, Hein!--
Nu, dat is geen kinderspel, dat verzeker ik u.
(Douglas komt weder op; hij vecht met Falstaff, die zich laat vallen,
alsof hij dood was; daarna gaat Douglas heen. Heetspoor wordt gewond
en valt.)
HEETSPOOR. O Hendrik! gij berooft mij van mijn jeugd!
Ik draag 't verlies van 't broze leven lichter,
Dan dien mij afgewonnen grootschen roem;
Dit wondt mijn geest, meer dan uw zwaard mijn vleesch;--
Maar, ja, de geest is slaaf van 't leven, 't leven
De nar des tijds; de tijd, die alles schouwt,
Loopt zelf ten eind. O, 'k zou als ziener spreken,
Als niet de kille, zware hand des doods
Den mond mij sloot.--Neen, Percy, gij zijt stof,
En spijs voor--
(Hij sterft.)
PRINS HENDRIK. Voor wormen, wakk're held! Vaarwel, groot hart!--
Wat krimpt gij in, gij slechtgeweven eerzucht!
Dit lichaam achtte, toen 't een geest bevatte,
Zich door een koninkrijk te nauw begrensd;
Nu zijn twee schreden van den minsten grond
Ruim groot; deze aarde, die u, doode, draagt,
Draagt levend geen zoo kloeken edelman.
Als gij mijn vriendlijkheid gevoelen kondt,
Zou ik mijn eerbetoon zoo warm niet uiten:--
Thans dekk' mijn veldtooi uw verminkt gelaat,
En danken wil ik, namens u, mijzelf,
Dat ik die schoone, teed're hulde u bracht.
Vaarwel, en neem uw lof met u ten hemel!
Uw schande zij met u ter aard besteld,
En worde ook in uw grafschrift niet vermeld!--
(Hij ontwaart Falstaff op den grond.)
Wat! oude vriend! behield u al dit vleesch
Geen sprankje leven? Arme Hans, vaarwel!
'k Had beter nog een beet'ren man ontbeerd.
Ja, uw verlies waar' mij een bitt're smart,
Zat lust tot ijdel doen mij diep in 't hart.
Hoe menig edel hert vandaag mocht vallen,
Gij zijt gewis het zwaarste wild van allen.
Lig, tot ik mij om u te ontweien spoed,
Hier naast den eed'len Percy in uw bloed.
(Prins Hendrik af.)
FALSTAFF (opstaand). Ontweien! als gij mij vandaag ontweidt, geef
ik u verlof mij in te zouten, ja, en morgen op te eten ook. Alle
duivels! het was tijd een schijn te worden, of die woedende dolkop
van een Schot had mij schot en lot laten betalen. Een schijn? Neen,
dat is een leugen, ik ben geen schijn; maar sterven, dat is een schijn
te worden, want hij is maar de schijn van een mensch, die het leven
niet heeft van een mensch; maar de schijn te zijn van den dood, om
daardoor in het leven te blijven, dat is niet een schijn zijn, maar
inderdaad het ware en volkomen beeld van het leven. Het beste deel van
de dapperheid is voorzichtigheid; en door dat beste deel heb ik mijn
leven gered.--Verduiveld, ik ben nog bang voor dien buskruit-Percy,
al is hij nu dood. Wat! als hij ook eens een schijn was, en weer
opstond? Op mijn woord, ik vrees, dat hij de beste schijn van ons
tweeën zou blijken. Daarom wil ik hem onschadelijk maken, ja, en ik
wil zeggen, dat ik hem verslagen heb. Waarom zou hij niet even zoo
goed kunnen opstaan als ik? Niets kan mij logenstraffen dan oogen,
en niemand ziet mij; daarom, man, (Hij brengt hem een dolksteek
toe.) met een nieuwe wond in de dij gaat gij nu met mij mee.
(Hij neemt Heetspoor op zijn rug.)
(Prins Hendrik en Prins John komen op.)
PRINS HENDRIK. Nu, broeder John, gij hebt uw maagdlijk zwaard
Recht dapper ingewijd.
PRINS JOHN. Stil! wie is dat?
Gij zeidet toch, die vette man was dood?
PRINS HENDRIK. Ja, zeker, 'k zag hem dood,
Bebloed en ademloos in 't stof.--
Zijt gij in leven, of is 't hier verbeelding,
Die met onze oogen spot? Ik bid u, spreek!
Ons oog is onbetrouwbaar zonder 't oor;
Gij zijt niet wat gij schijnt.
FALSTAFF. Neen, dat is zeker, een dubbele man ben ik niet; maar als
ik niet Hans Falstaff ben, wil ik Hans Worst heeten. Daar is Percy;
(Hij werpt het lijk neder.) als uw vader mij de een of andere
eer wil aandoen, goed; zoo niet, dan mag hij den volgenden Percy
zelf ombrengen. Ik verwacht graaf of hertog te worden, dit kan ik
u verzekeren.
PRINS HENDRIK. Wat! Percy doodde ikzelf en zag u dood.
FALSTAFF. Gij? waarlijk?--Heere, Heere, wat is deze wereld aan den
leugen verslaafd!--Ik geef u toe, ik lag op den grond, geheel buiten
adem, en hij desgelijks, maar wij stonden beiden op hetzelfde oogenblik
op, en vochten een goed uur, op de torenklok van Shrewsbury af. Wil
men mij gelooven, goed; zoo niet, dan valle de zonde op het hoofd van
hen, die de dapperheid moesten beloonen. Ik sterf er op, dat ik hem
deze wond in de dij heb toegebracht; als de man maar in leven was,
en dit durfde loochenen, duivels! dan zou ik hem een stuk van mijn
zwaard te eten geven.
PRINS JOHN. Dit is het vreemdst verhaal, dat ik ooit hoorde.
PRINS HENDRIK. Dat is de vreemdste snuiter, broeder John.--
Kom, neem weer fier uw pakje op den rug;
Voor mijn deel, brengt een leugen u in gunst,
Dan wil ik die met schoone taal vergulden.
(Trompetgeschal tot terugroeping van het slagveld.)
Daar is 't verzamelsein; de dag is ons.
Kom, broeder, nu naar 't hoogste deel van 't veld,
En zien wij, wie der vrienden leeft, wie viel.
(Prins Hendrik en Prins John af.)
FALSTAFF. Ik wil hen daar volgen, zooals zij zeggen, voor mijn
belooning. Die mij beloont, dien loone God! Als ik grooter word,
wil ik kleiner worden; want ik wil purgeeren, en de sek opgeven en
ordelijk leven, zooals het een edelman betaamt.
(Falstaff af, met het lijk.)