Een vlakte bij Shrewsbury.
Aanvallen; vechtende troepen; krijgsgedruisch. Daarop komen Douglas
en Blunt, van verschillende zijden, op.
BLUNT. Hoe heet gij, die aldus mij in den strijd
Den weg versperren komt? Wat eere zoekt gij
Dus op mijn hoofd?
DOUGLAS. Verneem, mijn naam is Douglas,
En ik bestook u in den strijd aldus,
Omdat ik hoor, dat gij een koning zijt.
BLUNT. Dan hebt gij goed gehoord.
DOUGLAS. Duur heeft Lord Stafford heden zijn gelijk'nis
Op u gekocht; in ùw plaats, koning Hendrik,
Heeft hèm dit zwaard geveld; zoo doet het u,
Tenzij gij u aan mij gevangen geeft.
BLUNT. Geen lage geest leeft in mij, trotsche Schot;
Hier zult ge een koning vinden, die den dood
Wreekt van lord Stafford.
(Zij vechten, en Blunt wordt verslagen.)
(Heetspoor komt op.)
HEETSPOOR. Hadt gij te Holm'don zoo gekampt, o Douglas,
Ik had geen enklen Schot ooit overmocht!
DOUGLAS. De zege is ons! ontzield ligt hier de koning!
HEETSPOOR. Waar?
DOUGLAS. Hier.
HEETSPOOR. Daar, Douglas? Neen, die trekken ken ik wel;
Een dapper ridder was 't, zijn naam was Blunt,
Gelijk geharnast als de koning zelf.
DOUGLAS. Een dwaas verzelle uw ziel, waarheen zij gaat!
Voor hoogen prijs kocht ge uw geleenden titel;
Waartoe gaaft gij u voor een koning uit?
HEETSPOOR. Meer zijn er in des konings wapenrok.
DOUGLAS. Nu, bij mijn ziel, ik dood hem al zijn rokken,
En moord zijn kleerkas, stuk voor stuk, hem uit,
Tot ik den koning tref.
HEETSPOOR. Op! voort, met spoed!
De dag is ons, al de onzen zijn vol moed.
(Beiden af.)
(Krijgsgedruisch. Falstaff komt op.)
FALSTAFF. In Londen ben ik er niet beducht voor, eens aangeschoten
te zijn, hier wel; hier kerven zij iemand het gelag op zijn
schedel.--Stil! wie zijt gij daar? Sir Walter Blunt;--daar hebt
gij nu uw eer; en dat zou geen ijdelheid zijn!--Ik ben zoo heet als
gesmolten lood, en even zwaar ook;--God houde mij lood uit het lijf;
ik heb genoeg te dragen aan mijn eigen ingewanden.--Ik heb mijn
schoeljes gebracht, waar het hun ingepeperd is; er zijn er nog maar
drie van mijn honderdvijftig over, en die zijn goed genoeg voor de
stadspoorten, om levenslang te bedelen. Maar wie komt daar?
(Prins Hendrik komt op.)
PRINS HENDRIK. Wat! staat gij nietsdoend hier? leen mij uw zwaard;
Zoo menig edelman ligt koud en stijf,
Vertrapt door 't strijdros van zijn trotschen vijand;
Hun dood is nog te wreken, leen me uw zwaard.
FALSTAFF. O Hein, ik bid u, laat mij een oogenblik op adem komen. De
Turk Gregorius heeft nooit zulke wapenfeiten volbracht als ik
vandaag. Ik heb Percy zijn deel gegeven; hij kan het er mee doen.
PRINS HENDRIK. Dat kan hij inderdaad, en hij leeft, om u te dooden. Ik
bid u, leen mij uw zwaard.
FALSTAFF. Neen, bij God, Hein, als Percy nog leeft, krijgt gij mijn
zwaard niet, maar neem mijn pistool, als gij wilt.
PRINS HENDRIK. Geef het! steekt het daar in den holster?
FALSTAFF. Ja, Hein; 't is heet, 't is heet, goed om sektenmakers ten
onder te brengen.
(De Prins trekt er een flesch sek uit te voorschijn.)
PRINS HENDRIK. Wat! is het nu een tijd van scherts en beuz'len?
(De Prins werpt hem de flesch voor de voeten en gaat heen.)
FALSTAFF. Nu, als Percy nog leeft, pers ik hem dood. Als hij mij in
den mond loopt, 't zij; als hij het niet doet, mag hij een carbonade
van mij maken, zoo ik hem vrijwillig in den mond loop. Ik ben niet
gesteld op die grijnzende eer, zooals Sir Walter heeft. Geef mij leven;
kan ik dat er afbrengen, 't zij; zoo niet, dan komt de eer ongevraagd,
en daarmee uit.
(Falstaff af.)