Het kamp der opstandelingen.
Worcester en Vernon komen op.
WORCESTER. O neen, Sir Richard, nimmer mag mijn neef
't Genadig aanbod van den koning kennen.
VERNON. Dit waar' toch goed.
WORCESTER. Dan waren wij verloren.
Het is volstrekt onmoog'lijk, kan niet zijn,
Dat ons de koning woord houdt, ooit mag lijden;
Wij blijven hem verdacht, hij speurt den tijd
Om dit vergrijp in andre schuld te straffen.
Ons leven lang blijft argwaan duizendoogig;
Verraad wordt nooit vertrouwd dan als de vos,
Die nooit, hoe mak, geliefkoosd, opgesloten,
Den wilden aard van zijn geslacht verzaakt.
Kijk hoe ge wilt, blijmoedig of bedrukt,
Een leven hebben we als een os op stal,
Hoe meer verzorgd, hoe nader bij den dood.
Mijns neefs vergrijp, ja, kan vergeten worden,
Zijn jeugd, zijn ziedend bloed is zijn verschooning,
En zelfs zijn bijnaam wordt hem tot een voorrecht:
De dolkop Heetspoor, door zijn luim beheerscht.
Zijn zonden worden mij op 't hoofd gestapeld,
Mij en zijn vader: wij verlokten hem,
En, wat ooit hèm besmette, 't komt van ons;
Dies boeten wij, als bron van alles, alles.
En daarom, beste neef, dat Hendrik nimmer,
Wat ook gebeur', des konings aanbod kenn'.
VERNON. Meld gij dan wat gij wilt; ik zal 't beamen.
Daar komt uw neef.
(Heetspoor en Douglas komen op, achter hen Officieren en Soldaten.)
HEETSPOOR. Mijn oom is weer terug;--laat dus den graaf
Van Westmoreland weer vrij.--Nu, oom, wat meldt gij?
WORCESTER. De koning biedt terstond den slag u aan.
DOUGLAS. Daag door mylord van Westmoreland hem uit.
HEETSPOOR. Lord Douglas, ga, en zeg hem dit.
DOUGLAS. Voorwaar, dat wil ik, en van harte gaarne.
(Douglas af.)
WORCESTER. Geen schijn zelfs van genade toont de koning.
HEETSPOOR. Gij vroegt er om? verhoede 't God!
WORCESTER. Zachtmoedig sprak ik hem van onze grieven,
En van zijn eedbreuk, dien hij door den meineed,
Dat hij geen meineed pleegde, nu verschoonde;
Verraders, muiters noemt hij ons, en wil
In ons dien naam met trotsche waap'nen gees'len.
(Douglas komt terug.)
DOUGLAS. Te wapen, heeren, vlug! 'k Heb koning Hendrik
Een uitdaging, die klinkt, naar 't hoofd geworpen,
En Westmoreland, die gijz'laar was, brengt ze over;
Zij wekt onfeilbaar hem terstond ten strijd.
WORCESTER. De prins van Wales trad voor des konings zetel,
En daagde, neef, u tot een tweestrijd uit.
HEETSPOOR. O, dat aan ons het strijden waar' vertrouwd,
En dat geen enkel man van daag moest hijgen,
Dan ik en Hendrik Monmouth! Zeg mij, zeg mij,
Hoe was zijn taal? minachtend? overmoedig?
VERNON. Neen, bij mijn heil! in heel mijn leven hoorde ik
Geen vijand ooit bescheid'ner uitgedaagd;
Een broeder kan een broeder aldus nooden
Tot edele oef'ning en tot wapenspel.
Hij kende u iedre mannenhulde toe,
En tooide uw lof met rijke vorstentong;
Hij somde als een kroniek uw deugden op,
En noemde u altijd beter dan zijn lof,
Als waar' die bij uw waarde schimp te reek'nen.
En,--wat als prins hem wel het schoonste stond,--
Schaamrood vermeldde hij zichzelf, en laakte
Zijn lediggaande jeugd zoo schoon en waar,
Als waar' hij meester van een dubb'len geest,
Die, leering gevend, zelf ook leerling was.
Toen zweeg hij. Maar, dit zeg ik aan de wereld:
Spaart hem de nijd van dezen dag, dan heeft
Nooit England zulk een schoone hoop bezeten,
Om de' overmoed der jeugd zoozeer miskend.
HEETSPOOR. Gij zijt, neef, dunkt mij, door en door verliefd
Op al zijn dwaasheid; nooit heb ik gehoord
Van een'gen prins, die zulk een losbol was.
Maar zij hij wat hij wil, nog voor de nacht
Wil ik hem met een krijgsmansarm omhelzen,
Dat hij ineenkrimpt van mijn heuschen groet.
Op, op, ten strijd!--En, krijgers, vrienden, broeders,
Bedenkt gij beter, wat gij hebt te doen,
Dan ik, die niet de gaaf van 't woord bezit,
Uw bloed kan wekken door welsprekendheid.
(Een Bode komt op.)
BODE. Heer, daar zijn brieven voor u.
HEETSPOOR. Die kan ik nu niet lezen.--
O, heeren, 's levens duur is kort; die kortheid
Op lage wijs te spillen, waar' te lang,
Al reed ook 't leven op een uurwerkwijzer,
Zoodat het uit was, als een uur verscheen.
Wij treden, levend, koningen in 't stof;
En sneven,--schoon is 't!--als ook vorsten sneven!
En ons geweten,--rein zijn onze waap'nen,
Wanneer het doel gerecht is, dat ze voert.
(Een tweede Bode komt op.)
BODE. Heer, wees gereed; de koning rukt daar aan.
HEETSPOOR. Ik dank hem, dat hij mij tot zwijgen noopt,
Want praten is mijn zaak niet. Nog slechts dit:--
Doe elk wat hij vermag! En hier trek ik
Een zwaard, dat ik op heden verven wil
Door 't beste bloed, dat ik kan tegentreden
Bij 't hach'lijk spel van dezen heeten dag.
Nu:--Espérance! Percy! en vooruit!--
Klinkt, oorlogs edele instrumenten, lustig!
Laat ons bij die muziek elkaar omarmen!
Want, hemel tegen aarde! er zijn er hier,
Die nooit meer zulk een groet elkander brengen.
(Trompetgeschal. Zij omarmen elkander. Allen af.)