Het legerkamp van den Koning bij Shrewsbury.
Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John van Lancaster, Sir Walter
Blunt en Sir John Falstaff komen op.
KONING HENDRIK. Hoe bloedig gluurt de zon daar over 't bosch
Van gindschen heuveltop; de dag ziet bleek
Van hare krankheid.
PRINS HENDRIK. En de zuidenwind
Speelt voor trompet, die ons haar plannen meldt;
Zijn stootend fluiten door de blaadren spreekt
Ons van een ruwen dag, van storm, die komt.
KONING HENDRIK. Zoo uite hij zijn leed aan wie 't verliezen,
Want aan wie winnen dunkt geen weder slecht.
(Trompetgeschal.)
(Worcester en Vernon komen op.)
Gij daar, mylord van Worcester? 't Is niet goed,
Dat gij en ik elkander dus ontmoeten
Als nu. Bedrogen hebt gij ons vertrouwen,
Het lenig vredekleed ons af doen leggen,
En 't oude lijf in 't harde staal doen knellen;
Dit is niet goed, mylord, dit is niet goed.
Wat hebt gij voor? Wilt gij dien boozen knoop
Van den alom verfoeiden krijg ontknoopen,
Uw vasten loop hervatten in de baan,
Waar gij met schoon en rustig licht in straaldet,
En verder nu geen luchtverheev'ling zijn,
Een schrikverspreidend wonder en een voorspook
Van onheil voor nog ongeboren tijden?
WORCESTER. Hoor mij, mijn vorst.
Ik, voor mijn deel, ik kan er in berusten,
Het slepend eind mijns levens door te brengen
In kalme rust; want dit betuig ik u,
Ik zocht den dag van dezen haat niet op.
KONING HENDRIK. Gij zocht hem niet? hoe is hij dan gekomen?
FALSTAFF. De muiterij lag op zijn weg; hij vond die.
PRINS HENDRIK. Stil, spekpastei, zwijg stil.
WORCESTER. 't Behaagde u, vorst, de blikken uwer gunst
Van mij en heel ons huis gansch af te wenden;
En toch,--ik moet het u herinn'ren, heer,--
Wij waren de eerste, trouwste van uw vrienden.
Voor u heb ik de staf mijns ambts verbroken
In Richards tijd, en reisde dag en nacht
Om u te ontmoeten, u de hand te kussen,
Toen gij op verre na in rang en aanzien
Zoo machtig en geëerd niet waart als ik.
Ikzelf, mijn broeder en zijn zoon, wij waren 't,
Die hier u wederbrachten, stout des tijds
Gevaren trotsend. Toen hebt ge ons gezworen,
En dezen eed zwoert gij te Doncaster,--
Niets tegen 't rijk in 't schild te voeren, niets
Te vord'ren dan 't u pas vervallen erfrecht,
Gents zetel, 't hertogdom van Lancaster.
Toen zwoeren wij u bijstand toe; maar dra
Daalde op uw hoofd geluk in stroomen neer;
Ja, zulk een vloed van grootheid viel op u,
Dank onzer hulp, dank ook des konings afzijn,
Dank ook het onrecht van een dart'len tijd,
De krenking, u zoo blijkbaar aangedaan,
En dank den tegenwinden, die den koning
Vasthielden, al te lang, aan 't Iersche strand,
Zoodat heel England hem gestorven waande;--
En in dien zwerm van gunsten van het lot
Vondt gij dra 't middel, dat men u verzocht
Om zelf het roer des staats ter hand te nemen,
Vergat uw eed aan ons te Doncaster,
En loondet ons, de voeders van uw grootheid,
Zooals de ondankb're guit, de jonge koekoek,
De musch beloont: gij hebt ons nest verdrukt,
En werdt door onze voeding ras zoo groot,
Dat onze liefde u niet meer durfde naad'ren,
Beducht ook zelf te worden opgeslokt;
Met vlugge wieken moesten wij ons redden,
U uit het oog, en deze macht verzaam'len;
Zoodat we ons enkel met die midd'len weren,
Die gij, gijzelf gesmeed hebt tegen u,
Door krenkende bejeeg'ning, dreigend blikken
En 't roekloos schennen van de trouw en vriendschap,
Die gij bij de' aanvang van uw tocht ons zwoert.
KONING HENDRIK. Dit hebt gij stuk voor stuk reeds vaak ontvouwd,
Op markten afgelezen en in kerken,
Om het gewaad des oproers af te zetten
Met fraaie kleur, en zoo van wankle zielen
En arme onvergenoegden 't oog te streelen,
Die, wijdmonds gapend, zich den elboog wrijven
Bij 't hooren van onstuimige' ommekeer.
Nu, zulke waterverven zijn door oproer
Altijd tot kleuring van zijn zaak te vinden,
En wreev'le beedlaars ook, die steeds naar tijd
Van woesten moord en van verwarring snakken.
PRINS HENDRIK. In beide legers is er meen'ge ziel,
Die duur ons samentreffen zal betalen,
Wanneer wij ons gaan meten. Meld uw neef:
De prins van Wales stemt in met heel de wereld,
Tot Hendrik Percy's lof; ja, bij mijn heil,
Deze onderneming nu niet meegerekend,
Zeg ik: er leeft geen beter edelman,
Zoo kloek-heldhaftig, zoo heldhaftig-jeugdig,
Zoo onversaagd en stout, om onzen tijd
Door grootsche, fiere daden roem te schenken.
Ikzelf,--en tot mijn schande zij 't erkend,--
Was bij de ridderschap een ledigganger,
En hij ook, hoor ik, houd mij voor niets meer;
Toch zeg ik hier voor 's konings majesteit,
Dat ik hem gaarne 't gansche voordeel laat,
Hem door zijn grooten naam en glans verleend,
En, zoo der andren bloed dan wordt gespaard,
Met hem den strijd, man tegen man, aanvaard.
KONING HENDRIK. En, prins van Wales, dùs wagen wij uw leven;
't Zij zoo, hoe talloos de bezwaren zijn,
Die huiv'ren doen.--Neen, goede Worcester, neen,
Ons is ons volk geliefd, zelfs die zijn ons
Nog lief, die met uw neef een dwaalspoor volgen;
En is hun mijn genade welgevallig,
Dan wordt èn hij, èn zij, èn gij, ja ieder
Op nieuw mijn vriend; ik zal de zijne zijn.
Zeg dit uw neef, en breng mij ras bericht,
Wat hij beslist! Doch, geeft hij thans niet toe,
Weet, ons verzellen straf en tuchtiging;
Die zullen dan haar plicht doen. Gaat nu heen.
Niets meer; want wederwoorden zijn wij moe!
Wij bieden vriendlijk aan, grijpt wijslijk toe!
(Worcester en Vernon af.)
PRINS HENDRIK. Zij nemen het niet aan, zoo waar ik leef.
Douglas en Heetspoor zijn bijeen; die twee
Trotseeren zelfs een wereld in de waap'nen.
KONING HENDRIK. Van hier dus, ieder krijger naar zijn post;
Wij vallen daad'lijk na hun antwoord aan;
Zij God met ons, aan onze zijde is 't recht.
(De Koning, Blunt en Prins John af.)
FALSTAFF. Hein, als gij mij in den slag op den grond ziet, en
u schrijdelings over mij heen stelt, dan doet gij wel; 't is
vriendenplicht.
PRINS HENDRIK. Alleen een colossus kan u die vriendschap doen. Doe
uw gebed en vaarwel.
FALSTAFF. Ja, ik wenschte het wel slapenstijd, Hein, en alles goed.
PRINS HENDRIK. Nu, gij zijt God een dood schuldig.
(Prins Hendrik af.)
FALSTAFF. 't Is nog de vervaldag niet; ik zou hem ongaarne
betalen voor den tijd. Wat behoef ik zoo voorkomend te wezen
jegens iemand, die mij niet maant? Nu, het doet er niet toe; de eer
roept mij voorwaarts. Ja, maar hoe, als de eer mij afroept bij het
voorwaarts gaan? hoe dan? Kan de eer een been aanzetten? Neen. Of een
arm? Neen. Of de pijn stillen van een wond? Neen. De eer is dus niet
bedreven in de heelkunde? Neen. Wat is eer? Een woord. Wat is het
woord eer? Lucht. Een fraaie rekening!--Wie heeft haar? Die Woensdag
gestorven is. Voelt hij ze? Neen. Hoort hij ze? Neen. Is ze dus niet
waar te nemen? Neen, door den doode niet. Maar leeft ze dan nooit bij
de levenden? Neen. Waarom niet? De afgunst duldt dit niet.--Daarom
wil ik niets van haar weten. De eer is niets dan een wapenschild;
en daarmee is mijn catechismus ten einde.
(Falstaff af.)