Het kamp der Opstandelingen bij Shrewsbury.
Heetspoor, Worcester, Douglas en Vernon komen op.
HEETSPOOR. Wij grijpen deze nacht hem aan.
WORCESTER. Dat niet.
DOUGLAS. Dan brengt gij hem in 't voordeel.
VERNON. Niet in 't minst.
HEETSPOOR. Hoe kunt gij 't zeggen? wacht hij geen versterking?
VERNON. Wij ook.
HEETSPOOR. De zijne is zeker, de onze niet.
WORCESTER. Laat, neef, u raden; val van nacht niet aan.
VERNON. Dat raad ik ook, mylord.
DOUGLAS. Uw raad is slecht;
Zoo spreekt ge uit vrees of wankelmoedigheid.
VERNON. Douglas, geen lastertaal; want bij mijn leven,--
En met mijn leven maak ik dit u waar,--
Als welbegrepen eer mij voorwaarts drijft,
Ga ik zoo min met laffe vrees te rade,
Als gij, mylord, of eenig Schot, die leeft;
Het blijke morgen in den slag, wie onzer
Vrees koestert.
DOUGLAS. Ja, of heden nacht.
VERNON. Bedaar!
HEETSPOOR. Van nacht, zeg ik.
VERNON. Kom, kom, dit moet niet zijn. Ik sta verbaasd,
Dat mannen, van zoo groot beleid als gij,
Toch niet voorzien, wat groote hindernissen
Den veldtocht ons vertragen. Mijn neef Vernon
Is met zijn ruiters nog niet aangekomen;
Die van Lord Worcester kwamen heden eerst;
Nu zijn hun fierheid en hun vuur in slaap,
Hun krijgslust van vermoeinis traag en mak;
Geen paard is half de helft nu van zichzelf.
HEETSPOOR. Zoo is 't ook met de paarden van den vijand;
Schier alle afgemat en zonder vuur;
En 't meerendeel der onze is uitgerust.
WORCESTER. De koning is veel talrijker dan wij;
Wacht, neef, om Gods wil, tot al de onzen hier zijn.
(Trompetgeschal voor een mondgesprek.)
(Sir Walter Blunt komt op.)
BLUNT. Ik breng, zoo ge achting en gehoor mij gunt,
Voorslagen vol genade van den koning.
HEETSPOOR. Sir Walter Blunt, wees welkom! Gave God,
Dat gij met ons van één gezindheid waart!
Hoog schatten hier u velen, doch ook dezen
Misgunnen u uw hoogen naam en waarde,
Wijl gij van onze kleur en soort niet zijt,
Maar als een vijand tegen ons u stelt.
BLUNT. En God behoede mij voor andre keus,
Zoolang gij, orde, recht en wet miskennend,
U tegen den gezalfden koning kant!
Doch hoort mijn last.--De koning vraagt door mij,
Wat uwe klachten zijn, en op wat grond
Gij uit den boezem van den burgervrede
Zoo drieste vijandschap bezweert, zijn land,
Hem trouw, zoo woeste wreedheid leert? Heeft ooit
Op een'ge wijs de koning uwe diensten,
Die, dit erkent hij, vele zijn,--vergeten,
Zoo vraagt hij: noemt uw grieven; en terstond
Zult gij met rente ontvangen, wat gij wenscht,
En ook vergiff'nis voor uzelf, voor allen,
Die gij tot dit verzet hebt overreed.
HEETSPOOR. Een vriend'lijk koning! O, hij kent zijn tijd,
Tijd van beloven, ja, en van betalen!
Mijn vader en mijn oom en ook ikzelf,
Wij schonken hem de kroon, die hij nu draagt.
En toen hij nog geen dertig mannen sterk was,
Krank in der menschen achting, arm, ellendig,
Als onbemerkte balling huiswaarts sluipend,
Bracht hem mijn vader 't welkom toe aan 't strand;
En toen die hem bij God betuigen hoorde,
Dat hij slechts kwam als hertog Lancaster,
Zijn leen kwam heffen en om vrede vragen,
Met onschuldtranen, op den toon der trouw,
Zwoer hem mijn vader, met zijn lot bewogen,
Goedhartig bijstand toe, en hield zijn woord.
Toen nu de lords en rijksbaronnen zagen,
Hoe hem Northumberland genegen was,
Toen kwamen groot en klein, blootshoofds en buigend,
Begroetten hem in vlek en dorp en stad,
En wachtten hem bij brug en landweg op,
En brachten giften, boden hem hun eeden,
En gaven hem hun zoons voor pages, volgden
In gouden schaar hem op de hielen na.
Fluks, als de grootheid, die zichzelf bewust wordt,
Stijgt hij een weinig hooger dan dien eed,
Dien hij op 't naakte strand van Ravenspurg
Met armer bloed mijn vader had gedaan.
En dra, voorwaar, verstout hij zich, besluiten
En enkle stipte wetten te herzien,
Die zwaar 't gemeene welzijn drukten, schreeuwt
Van wangebruiken, houdt zich, of hij weent
Om 't wee des lands, en wint door dezen schijn,
Die voorgewende zucht tot recht, het hart
Van allen, die hij vangen wil; en gaat
Nu verder, door het hoofd te laten vallen
Van al de gunstelingen, die de koning
Te zijner plaatsvervanging achterliet,
Toen hij persoonlijk de' Ierschen krijg ging voeren.
BLUNT. Ik kwam niet hier, om dit te hooren.
HEETSPOOR. Nu dan,
Ter zake. Dra beroofde hij den koning,
Eerst van de kroon, en kort daarop van 't leven;
Belastte onmidd'lijk zwaar het gansche rijk;
En liet, nog schand'lijker, zijn neef van March,--
Die toch, als elk zijn rechte plaats bekleedde,
Zijn koning wezen moest,--in Wales in gijz'ling,
Opdat, niet losgekocht, zijn recht daar sliep;
Vergold mijn zegepralen met beschimping;
Ja, zocht mij door verspieders te betrappen;
Verjoeg door hooning uit 's rijks raad mijn oom;
Verdreef, in woede, van het hof mijn vader;
Brak eed op eed, beging onrecht op onrecht,
En drong ons, eindlijk, onze veiligheid
In dit verzet te zoeken, en, daarbij,
Zijn koningsrecht te toetsen, dat ons waarlijk
Te weinig geldig blijkt voor langen duur.
BLUNT. Moet ik dit antwoord aan den koning brengen?
HEETSPOOR. Dat niet, Sir Walter; dat wij ons beraden!
Ga tot den koning en verwerf voor ons
De zekerheid van veil'ge wederkomst;
Alsdan komt hem op morgen vroeg mijn oom
Voorslagen van ons doen; en nu, vaarwel!
BLUNT. O, naamt gij vrede en vriendschap van hem aan!
HEETSPOOR. 't Is moog'lijk, dat wij 't doen.
BLUNT. Dit geve God!
(Allen af.)