TWEEDE TOONEEL.

Een openbare weg bij Coventry.

Falstaff en Bardolf komen op.

FALSTAFF. Bardolf, ga naar Coventry vooruit; laat een flesch sek voor

mij vullen. Onze soldaten moeten doormarcheeren; wij willen van avond

naar Sutton Colfield.

BARDOLF. Wilt gij mij geld geven, hopman?

FALSTAFF. Schiet maar voor, schiet voor!

BARDOLF. Die flesch maakt een gouden engel.

FALSTAFF. Als ze dat doet, houd hem dan voor uw moeite; en al maakt

zij er twintig, houd die alle, ik sta voor den muntslag in. Zeg aan

mijn luitenant Peto, dat hij aan het eind van de stad mij opwacht.

BARDOLF. Zeer goed, hopman; vaarwel.

(Bardolf af.)

FALSTAFF. Als ik mij niet schaam over mijn soldaten, ben ik

een gezouten knorhaan. Ik heb 's konings werfbrief schandelijk

misbruikt. Ik heb in plaats van honderd-vijftig soldaten, driehonderd

en zooveel pond aangeworven. Ik pres niemand dan jongens met huis

en hof, rijke boerenzoons; ik spoor me verloofde jonggezellen op,

die hun tweede gebod hebben gehad; een voorraad van koûkleumen,

die al even graag den duivel hooren als het roeren van een trom;

bloeden, die den knal van een donderbus erger duchten dan een vroeger

eens getroffen hoen of een aangeschoten wilde eend. Ik heb me geen

andere dan zulke wittebroods-kereltjes geprest, met harten in het

lijf, niet grooter dan een speldeknop; en die hebben zich van den

dienst vrijgekocht; en nu bestaat mijn geheel commando uit vaandrigs,

korporaals, luitenants, onderofficiers, schoeljes, die zoo haveloos

zijn als Lazarus op wandtapijten, waar de honden van den rijken

man zijn zweren likken, en die inderdaad ook nooit soldaten waren,

maar afgedankte trouwelooze dienstknechten, jonger zoons van jonger

broeders, weggeloopen biertappers en achteruitgegane stalknechts,

het ongedierte van een rustigen tijd en een langen vrede, tienmaal

schandelijker haveloos dan een oude gelapte standaard. En kerels heb

ik, als plaatsvervangers voor die zich losgekocht hebben, dat men zou

denken, daar honderd-en-vijftig verloren zoons te zien, zooals zij

gekomen zijn van het zwijnenhoeden en het eten van draf en kaf. Een

dwaze kerel kwam mij op weg tegen, en zeide mij, dat ik alle galgen

geplunderd en de doode lijken geprest had. Geen menschelijk oog

heeft ooit zulke vogelverschrikkers gezien. Ik wil niet met hen door

Coventry marcheeren, dat spreekt;--neen, maar die schoften marcheeren

wijdbeens, alsof zij voetboeien aanhadden; nu, de meesten van hen

kreeg ik uit gevangenissen. Er is nauwelijks anderhalf hemd in mijn

geheele vendel, en dat halve hemd zijn twee servetten, samengenaaid

en over de schouders geworpen, als een herautenrok zonder mouwen;

en het hemd is, om de waarheid te zeggen, gestolen van den waard te

Sint-Albaans of van den roodneuzigen biertapper te Daventry. Maar

dat doet er niet toe; linnen zullen zij genoeg op iedere heg vinden.

(Prins Hendrik en Westmoreland komen op.)

PRINS HENDRIK. Hoe is 't, dikke Hans? hoe is 't, watten prop?

FALSTAFF. Wat, Hein! hoe is het, dolle schalk? wat duivel doe

je in Warwickshire?--Mijn waarde Lord van Westmoreland, ik vraag

verschooning; ik dacht, dat uw edelheid reeds te Shrewsbury was.

WESTMORELAND. Ja, Sir John, 't is meer dan tijd, dat ik daar kom, en

gij ook, maar mijn troepen zijn er reeds. De koning, kan ik u zeggen,

ziet naar ons allen uit; wij moeten de geheele nacht marcheeren.

63

FALSTAFF. O, wees om mij niet bezorgd; ik ben bij de hand, als een

kat om room te stelen.

PRINS HENDRIK. Ja waarachtig, om room te stelen, want wat je gestolen

hebt, heeft je geheel tot boter gemaakt. Maar zeg eens, Hans, wat

zijn dat voor kerels, die daar achteraankomen?

FALSTAFF. De mijne, Hein, de mijne.

PRINS HENDRIK. Zulke armzalige schooiers heb ik van mijn leven

niet gezien.

FALSTAFF. O kom, goed genoeg om aangespietst te worden; voêr voor

kruid, voêr voor kruid; zij vullen een kuil even goed als beter luî;

wel ja, man, sterfelijke menschen, sterfelijke menschen!

WESTMORELAND. Maar toch, Sir John, mij dunkt, dat zij er verbazend

armoedig en vermagerd uitzien, al te bedelachtig.

FALSTAFF. Ja, wat hun armoede betreft, waar zij die vandaan hebben,

weet ik niet; en hun magerheid, die hebben zij zeker van mij niet

afgekeken.

PRINS HENDRIK. Neen, daar wil ik op zweren; tenzij gij drie vingers

dik op de ribben mager noemt. Maar kerel, maak haast; Percy is reeds

te velde.

FALSTAFF. Hoe! is de koning reeds bij 't leger?

WESTMORELAND. Ja zeker, Sir John; en ik vrees, wij talmen reeds

te lang.

(Prins Hendrik en Westmoreland af.)

FALSTAFF. Nu goed;

Het laatst in 't veld, en de eersten bij een feest,

Lijkt tragen vechters, gragen gasten 't meest.

(Af.)

Koning Hendrik de Vierde · 第 28 / 79 题