York. Een vertrek in het paleis van den Aartsbisschop.
De Aartsbisschop van York en Sir Michaël komen op.
AARTSBISSCHOP. Haast u, Sir Michaël, en breng vliegensvlug,
Aan den Lord-Maarschalk dit verzegeld stuk;
Dit aan mijn neef, lord Scroop; en al die and're
Aan wie zij zijn gericht. Indien gij wist,
Van welk belang zij zijn, groot ware uw spoed.
SIR MICHAËL. Mijn goede Lord,
Ik gis hun inhoud.
AARTSBISSCHOP. Moog'lijk, dat gij 't doet.
Het is op morgen, waarde heer, een dag,
Waarop 't geluk van ruim tienduizend mannen
Den toets doorstaan moet. Want, bij Shrewsbury,--
Zoo melden zeekre bronnen,--zal de koning,
Met groote, in allerijl gelichte macht,
Zich met Lord Percy meten; en ik vrees,
Deels om de ziekte van Northumberland,
Wiens macht de grondslag was van 't krijgsontwerp,
Deels om het niet verschijnen van Glendower,
Die mede een hechte steun moest zijn, en nu;
Door profetieën afgeschrikt, niet opdaagt,--
Ik vrees, dat Percy's macht te zwak zal zijn,
Om met den koning nu den strijd te wagen.
SIR MICHAËL. Mijn waaide Lord, er is geen grond tot vrees;
Denk, Douglas is er, en Lord Mortimer.
AARTSBISSCHOP. Neen, Mortimer is niet er bij.
SIR MICHAËL. Daar zijn toch Mordake, Vernon, Hendrik Percy,
Daar is mylord van Worcester, en een macht
Van wakk're krijgers, dappere edellieden.
AARTSBISSCHOP. Dat is zoo, ja; maar bij den koning is
Een heldenschaar uit heel het rijk vereenigd:
De prins van Wales, Lord John van Lancaster,
De wakk're Westmoreland, de dapp're Blunt,
Met nog veel andre medestanders, allen
Van grooten naam en duchtig krijgsbeleid.
SIR MICHAËL. Zij zullen sterken weerstand vinden, heer.
AARTSBISSCHOP. Dit hoop ik ook, maar duchten is wel noodig;
Spoed u, Sir Michaël, om het ergst te keeren;
Want slaagt Lord Percy niet, dan zoekt de koning,
Vóór hij zijn leger afdankt, ons wis op.
Hij kent ons deelgenootschap in 't verbond;
En wijsheid eischt, dat wij ten strijde ons rusten.
Dus haast u. 'k Heb aan meen'gen andren vriend
Alsnog te schrijven; vaar dus wel, Sir Michaël.
(Beiden af.)