EERSTE TOONEEL.

Het kamp der Opstandelingen bij Shrewsbury.

Heetspoor, Worcester en Douglas komen op.

HEETSPOOR. Braaf, eed'le Schot! Gold waarheidspreken niet

In dezen fraaien tijd voor vleierij,

Zoo groote erkenning zou nu Douglas oogsten,

Dat geen soldaat, in onzen tijd gestempeld,

Zooveel in heel de wereld gelden zou.

Bij God, ik kan niet vleien; gladde tongen

Verafschuw ik, maar in mijns harten liefde

Bekleedt geen mensch een hoogre plaats dan gij.

Ja, houd mij bij mijn woord, beproef mij, heer.

DOUGLAS. Gij zijt der eere koning!

Er ademt op deze aard geen man zoo machtig,

Wien ik niet staan wil.

HEETSPOOR. Doe dat, en wij slagen!

(Een Bode komt op, met een brief.)

Een brief? van wien?--(Tot Douglas). Ik kan u enkel danken.

BODE. De brief komt van uw vader.

HEETSPOOR. Een brief van hem? en waarom komt hijzelf niet?

BODE. Mylord, hij kan niet, hij is ernstig ziek.

HEETSPOOR. Vervloekt! hoe heeft hij tijd om ziek te zijn,

In zulk een worsteltijd? Wie voert zijn volk aan?

Wie staat aan 't hoofd en brengt hen hier naar toe?

BODE. Zijn brief, Heer, meldt u wat hij doet, niet ik.

WORCESTER. Ik bid u, zeg mij, houdt hij 't bed?

BODE. Vier dagen reeds, mylord, eer ik vertrok;

En op den tijd, dat ik van daar ging, waren

Zijn artsen om zijn toestand zeer bezorgd.

WORCESTER. Hoe wenschte ik onzen staat en tijd genezen,

Eer hij door deze ziekte was bezocht!

Nooit was zijn welzijn zooveel waard als nu.

HEETSPOOR. Nu ziek! nu machtloos! deze ziekte stort

In 't levensbloed van onze plannen gift;

Zij steekt ons aan, verbreidt zich in ons kamp.

Hij schrijft mij hier, dat hij, inwendig krank,--

Dat hij zijn vrienden door geen plaatsvervanger

Zoo snel bijeen kan brengen,--en ook huivert,

Een taak zoo vol gevaar en zoo gewichtig,

Aan andren te vertrouwen dan zichzelf.

Toch geeft hij ons den stouten raad, dat wij,

Hoe klein ons bondgenootschap zijn moog', doorgaan,

En zien, hoe het geluk ons is gezind.

Want, schrijft hij, 't is geen tijd van angstig dralen,

Daar al, wat wij beraamden, wis den koning

Alreeds bekend is. Wat zegt gij er van?

WORCESTER. Ons is uws vaders ziekzijn een verminking.

HEETSPOOR. Een booze slag, een afgehouwen arm;--

Doch neen, toch niet! 't Gemis van hem schijnt erger,

Dan wij 't bevinden zullen.--Ware 't goed,

Al ons bezit, al onze hoop te zetten

Op éénen worp? zoo grooten schat te wagen

Aan 't wuft geluk van één onzeker uur?

Dit waar' niet goed; dan zouden we onze hoop

Ineens doorzien tot op haar grond en wezen,

Den zoom, de verste grens van onze toekomst

In eens bereiken.

DOUGLAS. Zoo zou 't zijn; en nu,

Nu hebben wij nog steeds iets schoons te wachten,

En kunnen stout iets spillen, in de hoop

Op wat ons toe zal vloeien;

De troost van een terugweg leeft hierin.

HEETSPOOR. Een toevluchtsoord, en een herzamelplaats,

Indien, met ongeluk vereend, de duivel

Het eerste proefstuk onzer kracht begrijnst.

WORCESTER. Toch wenschte ik, dat uw vader niet ontbrak.

De kleur en aard van ons ontwerp gedoogt

Geen machtsverdeeling. Wis denkt menigeen,

Die niet de reden van zijn afzijn weet,

Dat wijsheid, onderdanentrouw, en 't laken

Van wat wij doen, den graaf van hier doen blijven.

Bedenk, hoe zulk vermoeden licht het tij

Doet kent'ren van een huivrig bondgenootschap,

En twijfel tegen onze zaak kan wekken.

Gij weet wel, wij, die de' aanval doen, wij moeten

Ver blijven van een scherpziend onderzoek,

En ieder kijkgat, alle spleten stoppen,

Waar redes oog ons door begluren kan.

Dit afzijn schuift een voorhang weg, zoodat

Onkundigen een soort van vrees ontwaren,

Te voren nooit vermoed.

HEETSPOOR. Gij gaat te ver;

Ik zie voor ons eer voordeel in zijn afzijn:

't Leent hoogren luister en een grootren roem

En meerdre koenheid aan ons grootsch ontwerp,

Dan zoo mijn vader hier was. 't Volk moet denken,

Dat, als 't ons zònder zijne hulp gelukt

Dit rijk te schokken, wij dan mèt zijn hulp

Het zeker onderst boven keeren zullen.

't Gaat goed; nog zijn wij gaaf van lijf en leden.

DOUGLAS. Naar 's harten wensch. In Schotland wordt een woord

Gelijk het zeggen "vrees" nooit uitgesproken.

(Sir Richard Vernon komt op.)

HEETSPOOR. Neef Vernon! wees hier welkom, op mijn woord!

VERNON. God geev', heer, dat mijn nieuws een welkom waard zij!

De graaf van Westmoreland rukt herwaarts op,

Sterk zevenduizend man, met hem, prins John.

HEETSPOOR. Niets kwaads. Wat meer?

VERNON. En verder, naar ik hoorde,

Is ook de koning in persoon op weg;

Hij rukt, met groote, welvoorziene macht,

Meê herwaarts op met allen denkb'ren spoed.

HEETSPOOR. Ook hij zal welkom zijn. Waar is zijn zoon,

Die spring-in-'t-veld, die dolle prins van Wales,

En heel zijn bent, die met de wereld spotte,

Op zij haar schoof?

VERNON. Die allen fier gewapend;

Gepluimd als struisen, wiekend in den wind;

Klepp'rend als aadlaars, komend van het baden;

In gouden dos als heil'genbeelden schitt'rend;

Zoo vol van leven als de Meimaand is;

Zoo stralend als de Juni-zomerzon;

Dartlend als geitjes, wild als jonge stieren.

Ik zag den jongen Hendrik, 't helmet op,

Staalplaten aan de dijën, trotsch gewapend,

Als een gevleugelde Mercurius springen

En zich zoo lustig in den zadel slingren,

Als zweefde een engel uit de wolken neêr,

Om op een vuur'gen Pegasus de wereld

Door eed'le, stoute rijkunst te betoov'ren.

HEETSPOOR. Genoeg, genoeg; meer dan de zon in Maart,

Wekt zulk een lof een koorts. Laat, laat hen komen;

Zij komen aan, als offers opgesmukt;

Wij zullen aan de maagd met vuur'gen blik

Des donkren krijgs, hen warm en bloedend off'ren;

Gepantserd zitte Mars op zijn altaar

Tot aan den hals in bloed. Ik ben ontvlamd

Bij 't hooren, dat een buit, zoo rijk, nabij is

En nog niet ons.--Kom, ik beproef mijn klepper,

Die als een donderkeg op 's prinsen borst

Mij botsen doe! Dat Hendrik dra met Hendrik,

En vurig ros met ros dra samenhort',

Onscheidbaar, tot één onzer nederstort!

O, waar' Glendower reeds hier!

VERNON. Ik breng meer nieuws:

Die heeft, zoo hoorde ik op mijn rit door Worcester,

Nog in geen veertien daag zijn macht bijeen.

DOUGLAS. Dit is de slechtste tijding nog van alle.

WORCESTER. Ja, op mijn eer, zij heeft een killen klank.

HEETSPOOR. Hoe sterk is wel de gansche macht des konings?

VERNON. Een dertigduizend.

HEETSPOOR. Laat het veertig zijn!

Mijn vader en Glendower er niet?--nu goed;

Wijzelf zijn mans genoeg door onzen moed.

Komt, ras ter monstring! Koom' de jongste dag!

Wie sterft, als alles sterft, sterft met een lach

DOUGLAS. Spreek niet van sterven; dood noch doodsgevaar

Zal mij doen vreezen in het eerst halfjaar.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Vierde · 第 27 / 79 题