PRINS HENDRIK. Hoe is het, mevrouw de waardin? Wat heb je mij te
zeggen?
WAARDIN. Genadige heer, daar is een edelman van het hof aan de deur,
die u wil spreken; hij zegt, dat uw vader hem iets opgedragen heeft.
PRINS HENDRIK. Dan is het een koninklijk maal; zend hem terug, dat
hij mijn moeder er op vraag'.
FALSTAFF. Wat soort van een man is het?
WAARDIN. Een oud man.
FALSTAFF. Wat doet de deftigheid te middernacht uit haar bed?--Zal
ik hem te woord staan?
PRINS HENDRIK. Ja, doe dat; gaarne, Hans.
FALSTAFF. Op mijn woord, ik zal hem wel afschepen.
(Falstaff af.)
PRINS HENDRIK. Nu, bij onze lieve vrouw, kerels, jullie hebt wakker
gevochten,--jij ook, Peto,--jij ook, Bardolf; je bent ook leeuwen,
je liep weg uit instinct, je zoudt den echten prins niet willen
aanroeren, vooral niet,--o foei!
BARDOLF. Op mijn woord, ik liep, omdat ik de anderen zag loopen.
PRINS HENDRIK. Kom aan, biecht mij nu eens oprecht, hoe kwam Falstaff's
degen zoo geschaard?
PETO. Wel, hij hakte er op met zijn dolk, en zeide, dat hij de waarheid
Engeland uit zou zweren, maar hij zou u doen gelooven, dat het van 't
vechten gekomen was, en hij haalde ons over hetzelfde te doen.
BARDOLF. Ja, en onze neuzen met scherp gras te kittelen om ze aan
het bloeden te brengen, en er dan onze kleederen mee te besmeren,
en te zweren, dat het bloed was van eerlijke luî. Ik deed, wat ik in
zeven jaar niet gedaan had,--ik bloosde, toen ik zijn afschuwelijke
invallen hoorde.
PRINS HENDRIK. O jij spitsboef! jij hebt achttien jaar geleden een
beker sek gestolen en werdt op heeter daad gegrepen, en sedert heb je
altijd ex tempore gebloosd. Je hadt vuur, en aan je zijde een zwaard,
en toch liep je weg; welk instinct hadt je daartoe?
BARDOLF (op zijn gelaat wijzende). Mylord, ziet gij die verschietende
sterren, ziet gij die vuurvlammen?
PRINS HENDRIK. Ja zeker.
BARDOLF. Wat denkt gij wel, dat zij aanduiden?
PRINS HENDRIK. Een heete lever en een koude beurs.
BARDOLF. Gal, genadige heer, als men 't naar eisch vat.
PRINS HENDRIK. Een galg, man, als men je naar eisch vat.
(Falstaff komt weder op.)
Daar komt schrale Hans, daar komt Klapperbeen.--Nu, mijn allerliefste
watten popje! hoe lang is het geleden, Hans, dat je je eigen knie
gezien hebt?
FALSTAFF. Mijn eigen knie? toen ik van uw jaren was, Hein, was ik om
het lijf niet zoo dik als een adelaarsklauw; ik had kunnen kruipen
door den duimring van iederen alderman. Naar den duivel met kommer en
zuchten, dat blaast een mensch op als een blaas.--Er is schurkachtig
nieuws in omloop; Sir John Bracy was daar van uw vader; gij moet morgen
vroeg naar het hof. Die bewuste dolle kerel in het noorden, Percy,
en hij uit Wales, die eens den boozen geest Amaimon stokslagen gaf,
en Lucifer horens opzette, en den duivel als echten vazal in den
eed nam op het kruis van een Wallisische hellebaard,--wat weêrgâ,
hoe heet hij ook?
POINS. O! Glendower.
FALSTAFF. Owen, Owen, dezelfde;--en zijn schoonzoon Mortimer, en
de oude Northumberland, en die vurige Schot der Schotten, Douglas,
die in snellen loop te paard een loodrechten berg opgaat,--
PRINS HENDRIK. Die in sterken galop met zijn pistool een musch in de
vlucht doodschiet.
FALSTAFF. Je hebt het getroffen.
PRINS HENDRIK. Maar hij nooit de musch.
FALSTAFF. Nu, die schelm heeft een hart in 't lijf; die gaat niet
loopen.
PRINS HENDRIK. Wat voor een schelm ben je dan, die hem om zijn snellen
loop zoo roemt?
FALSTAFF. Te paard, jij uilskuiken; te voet wijkt hij geen voet van
zijn plaats.
PRINS HENDRIK. Toch wel, Hans, uit instinct.
FALSTAFF. Dat geef ik toe, uit instinct. Nu, die is er ook bij, en een
zekere Mordake, en nog wel een duizend blauwmutsen bovendien. Worcester
heeft zich bij nacht uit de voeten gemaakt; uws vaders baard is op
de tijdingen wit geworden; gij kunt land nu even goedkoop koopen als
stinkende makreelen.
PRINS HENDRIK. Nu, dan, als er een heete Juni komt en deze
burger-kloppartij aanhoudt, zullen wij waarschijnlijk maagdommen
koopen als hoefnagels, bij het gros.
FALSTAFF. Sacrament, jongen, je hebt gelijk; in dat opzicht zullen
wij denkelijk goede zaken doen.--Maar zeg mij, Hein, zit je niet
schrikkelijk in den brand? Je bent troonopvolger, en kan nu de heele
wereld je nog eens drie zulke tegenstanders uitpikken als dien duivel
Douglas, dat hellekind Percy, en dien boozen geest Glendower? Zit je
niet verschrikkelijk in den brand? rilt je bloed er niet van?
PRINS HENDRIK. In het minst niet, op mijn eer! daartoe zou ik iets
van dat instinct van jou moeten hebben.
FALSTAFF. Nu, je zult er morgen verschrikkelijk langs krijgen,
als je bij je vader komt; als je mij lief hebt, bedenk dan te voren
een antwoord.
PRINS HENDRIK. Goed, stel jij dan mijn vader voor, en neem mij over
mijn levenswandel in 't verhoor.
FALSTAFF. Moet ik?--Het zij zoo.--Deze stoel zal mijn troon zijn,
deze dolk mijn scepter en dit kussen mijn kroon.
PRINS HENDRIK. Je troon is niet beter dan een vouwstoel, je gouden
scepter dan een looden dolk, en je kostelijke, rijke kroon dan een
armzalige kale kruin.
FALSTAFF. Wacht maar, als er nog een sprankje genade in je leeft,
zult ge nu geroerd worden.--Geef mij een beker sek, opdat mijn oogen
rood zien, en men denke, dat ik geweend heb; want ik moet diep bewogen
spreken, en dat wil ik doen, op de manier van koning Cambyses.
(Hij drinkt.)
PRINS HENDRIK. Goed; hier is mijn strijkvoet.
FALSTAFF. En hier mijn toespraak.--Treedt ter zijde, bloem van
mijn adel!
WAARDIN. O Jezus! dat is een kostelijke grap!
FALSTAFF. Ween niet, o koningin! vergeefsch is tranendropp'ling.
WAARDIN. Jezus Maria! wat neemt hij een houding aan!
FALSTAFF. Lords, leidt mijn droeve koningin ter zij; Want leed verstopt
de sluizen van haar oogen.
WAARDIN. O Jezus! hij doet als die minnekoozerijspelers zoo goed als
ik ooit maar zien kan!
FALSTAFF. Stil, goede pintkan! stil, vrouw Spraakwater!--Hendrik,
mij verbaast niet alleen, waar gij uw tijd doorbrengt, maar ook met
wie gij omgaat; want ofschoon de kamille, hoe meer ze vertreden wordt,
te sneller groeit, is toch de jeugd, hoe meer men ze verspilt, des te
sneller versleten. Dat gij mijn zoon zijt, daarvoor heb ik deels de
verzekering van uw moeder, deels mijn eigen meening, maar voornamelijk
een schurkachtigen trek in uw oog, en een onnoozel hangen van uw
onderlip als borg er voor. Als gij dus mijn zoon zijt,--nu kom ik tot
mijn doel,--waarom wordt gij, als gij mijn zoon zijt, het doelwit van
ieders vinger? Moet de roemrijke zon des hemels een struikdief worden
en bramen eten? Een vraag, die niet gedaan mag worden. Moet de zoon
van Engeland een nachtdief worden en beurzen snijden? Een vraag, die
wel gedaan moet worden. Er is één ding, Hendrik, waar gij meermalen
van gehoord hebt, en het is aan velen in ons land bekend onder den
naam van pik; dit pik pleegt, zooals oude schrijvers berichten, te
besmetten; zoo doet ook het gezelschap, waar gij meê verkeert; want,
Hendrik, nu spreek ik tot u, niet in mijn dronk, maar in tranen,
niet in vermaak, maar in droefenis, niet enkel in woorden, maar ook
in zorgen.--En toch is er een deugdzaam man, dien ik meermalen in uw
gezelschap heb opgemerkt, maar ik weet zijn naam niet.
PRINS HENDRIK. Wat voor een soort van man, als het uwe majesteit
belieft?
FALSTAFF. Een welgemaakt, deftig man, dat moet ik zeggen, en wat
zwaarlijvig; met een opgeruimden blik, een innemend oog en een zeer
waardige houding; en, naar ik vermoed, in de vijftig, of, als God wil,
bij de zestig; en,--nu valt mij in,--zijn naam is Falstaff. Als die
man tot uitspattingen kan overhellen, dan bedriegt hij mij; want,
Hendrik, ik lees deugd in zijn oogopslag. Wanneer dus de boom aan
zijn vruchten te kennen is, zoowel als de vrucht aan den boom, dan
zeg ik bepaald en stellig: er is deugd in dien Falstaff; houd u aan
hem en verban de anderen. En zeg mij nu, gij nietswaardige deugniet,
zeg mij, waar hebt gij de geheele maand gezeten?
PRINS HENDRIK. Spreekt gij als een koning? Ga gij voor mij staan,
en ik zal mijn vader spelen.
FALSTAFF. Mij afzetten? Als gij het half zoo statig, zoo majestueus
doet, zoo in woord als daad, hang mij dan bij de hielen op, als een
zuigkonijntje of een gevilde haas.
PRINS HENDRIK. Goed, hier zit ik.
FALSTAFF. En hier sta ik.--Oordeelt nu, mannen.
PRINS HENDRIK. Zoo, Hendrik, van waar komt ge?
FALSTAFF. Mijn hooge vader, van Eastcheap.
PRINS HENDRIK. De klachten, die ik over u hoor, zijn grievend.
FALSTAFF. Alle duivels, mylord, ze zijn valsch.--O, ik zal u een lief,
jong prinsje laten zien, waarachtig!
PRINS HENDRIK. Vloekt gij, goddelooze knaap? kom mij voortaan nimmer
meer onder de oogen. Gij laat u met geweld wegsleuren van de genade;
er is een duivel, die om u waart in de gedaante van een vetten, ouden
man; een ton van een man is uw kameraad. Waarom verkeert gij met die
kist vol grillen, dien builtrog van dierlijkheid, die opgeblazen baal
waterzucht, dien grooten wijnzak met sek, dat volgepropte darmenvalies,
dien gebraden kermisos met den podding in 't lijf, die eerwaardige
ondeugd, die grijze verdorvenheid, dien vader losbol, die ijdelheid op
jaren? Waarin is hij goed, dan in het sek proeven en drinken? waarin
net en keurig, dan in het kapuinen voorsnijden en eten? waarin knap,
dan in list en bedrog? waarin listig, dan in schurkerij? waarin
schurkachtig, dan in alles? waarin achtenswaardig, dan in niets?
FALSTAFF. Ik wenschte, dat uw genade mij op de hoogte bracht. Wien
meent uwe genade?
PRINS HENDRIK. Dien schurkachtigen verfoeilijken verleider der jeugd,
Falstaff, dien ouden, witbaardigen satan.
FALSTAFF. Mylord, dien man ken ik.
PRINS HENDRIK. Ik weet, dat gij hem kent.
FALSTAFF. Maar als ik zeide, dat ik meer kwaad van hem weet,
dan van mijzelf, zou ik meer zeggen, dan ik weet. Dat hij oud is,
God zij het geklaagd, zijn witte haren getuigen het; maar dat hij,
met verlof van uwe genade, een hoerenjager zou wezen, dit ontken ik
ten sterkste. Als sek met suiker boos is, dan sta God de zondaars
bij! Als oud en vroolijk zijn zonde is, dan is menig oude waard,
dien ik ken, verdoemd; als vet te zijn hatenswaardig is, dan zijn
Pharao's magere koeien beminnelijk. Neen, mijn beste heer, verban Peto,
verban Bardolf, verban Poins; maar dien lieven Hans Falstaff, dien
goeden Hans Falstaff, dien trouwen Hans Falstaff, dien dapperen Hans
Falstaff,--en daarom te dapperder, omdat hij de oude Hans Falstaff is,
zooals hij is,--verban dien niet uit het gezelschap van uw Hendrik;
verban dien dikken Hans, en gij verbant de geheele wereld.
(Er wordt geklopt; de Waardin, Frans en Bardolf af.)
(Bardolf komt weder binnenstormen.)
BARDOLF. O mylord, mylord! de sheriff, met een allervervaarlijkste
wacht, staat voor de deur.
FALSTAFF. Weg, gij schelm!--Speel het spel ten einde, ik heb nog veel
te zeggen ten gunste van dien Falstaff.
(De Waardin komt terug.)