POINS. Zakten hun hozen af.
FALSTAFF. Begonnen ze te wijken; maar ik hen achterna, ik overviel
hen en in een ommezien had ik het er zeven van de elf betaald gezet.
PRINS HENDRIK. O ontzettend, elf stijflinnen kerels uit twee gegroeid!
FALSTAFF. Maar, alsof de duivel in het spel was, vielen er drie
misbakken spitsboeven in groen laken mij in den rug en hieuwen er op
in;--want het was zoo donker, Hein, dat men geen hand voor oogen zien
kon;--
PRINS HENDRIK. Die leugens zijn even als de vader, die haar verwekt,
groot en breed als een berg, in het oog vallend, tastbaar. Zeg eens,
jij onthersende rolpens, jij knoestkoppige dwaas, jij afschuwelijk,
glibberig, smerig talkvat,--
FALSTAFF. Wat ben je dol? ben je dol? wat waar is, is waar.
PRINS HENDRIK. Wel, hoe kon je die kerels in groen laken onderscheiden,
als het zoo donker was, dat je geen hand voor oogen kondt zien? Kom
aan, verklaar dat eens, geef je gronden eens op.
POINS. Kom, je gronden, Hans, je gronden!
FALSTAFF. Wat! gedwongen? Neen; al ware ik aan de wipgalg of op alle
pijnbanken ter wereld, gedwongen zou ik niets zeggen. Gronden geven
bij dwang! Al waren er gronden zoo overvloedig als bramen, van mij
zou niemand een grond door dwang vernemen, van mij niet.
PRINS HENDRIK. Ik wil niet langer deel hebben aan deze zonde; deze
volbloedige lafaard, deze bedplatdrukker, deze paarderugbreker,
deze verbazende vleeschberg,--
FALSTAFF. Stilgezwegen, jij hongerlijder, jij aalshuid, jij gedroogde
kalfstong, jij bullepees, jij stokvisch,--O, had ik maar adem genoeg
om te zeggen, waar je op gelijkt!--jij snijdersel, jij degenscheê,
jij boogfoedraal, jij erbarmelijk, rechtopstaand rapier,--
PRINS HENDRIK. Wacht even, kom op adem. en begin dan weer; en als je
uitgeput bent van, slechte vergelijkingen, luister dan eens naar wat
ik zeg.
POINS. Let op, Hans.
PRINS HENDRIK. Wij tweeën zagen jullie vieren vier man aanvallen
en knevelen, en je waart meester van hun goed. Let nu op, hoe een
eenvoudig verhaal je te schande zal maken!--Toen overvielen wij tweeën
jullie vieren, en snauwden je met een enkel woord van je buit weg,
en hebben dien, ja, en kunnen je dien hier in huis toonen.--En jij,
Falstaff, hebt daarbij je pens zoo vlug meegesleept, met zulk een
snelle behendigheid, en om genade gebulkt, en in eens doorgeloopen
en gebulkt, als ik ooit een bulkalf heb hooren doen. Wat voor een
deugniet ben je, je zwaard in te hakken, zooals je gedaan hebt, en dan
te zeggen, dat het van 't vechten is gekomen! Wat voor een streek,
wat uitvlucht, wat schuilhoek kun je nu uitvinden; om je voor deze
openlijke en klaarblijkelijke schande te versteken?
POINS. Komaan, laat hooren, Hans! wat voor een streek heb je nu?
294
FALSTAFF. Bij God, ik kende je zoo goed als hij, die je gemaakt
heeft. Nu, hoort gij mij aan, mannen! Kon het in mij opkomen, den
vermoedelijken troonopvolger om te brengen? Kon ik mij tegen den echten
prins te weer stellen? Je weet, ik ben zoo dapper als Hercules;--maar
heb ontzag voor het instinct; de leeuw roert den echten prins niet
aan. Instinct is een groote zaak; ik was lafaard uit instinct. Ik
zal levenslang nu des te beter van mijzelf en van jou denken, van
mij als een dapperen leeuw, van jou als een echten prins.--Maar, bij
God, jongens, ik ben blij, dat je het geld hebt.--Waardin, de deuren
toe! heden, gewaakt, morgen gebeden!--Brave kerels, broeders, jongens,
harten van goud, alle titels van goede kameraadschap voor je! Hoe is
het? willen we pret maken? willen we voor de vuist een komedie spelen?
PRINS HENDRIK. Aangenomen;--en het onderwerp zal wezen: je wegloopen.
FALSTAFF. O, niets meer daarover, Hein, als je mij liefhebt.
(De Waardin komt op.)