PRINS HENDRIK. Ho, ho! de duivel rijdt op een strijkstok. Wat is er
aan de hand?
WAARDIN. De sheriff en zijn geheele wacht staan voor de deur; zij
komen hier huiszoeking doen; moet ik ze binnenlaten?
(De Prins schijnt te willen toestemmen.)
FALSTAFF. Hoor eens, Hein! Noem een echt goudstuk nooit een valsche
munt; gij zijt in waarheid dol, al schijnt gij het niet.
PRINS HENDRIK. En gij een geboren lafaard, zonder instinct.
FALSTAFF. Uw gevolg wijs ik af; wilt gij dien man met gevolg afwijzen,
goed; zoo niet, laat hem binnenkomen. Als ik op de kar niet een even
goed figuur maak als eenig ander, dan hale de duivel mijn opleiding! Ik
hoop, dat een strop het even kort met mij maakt als met eenig ander.
PRINS HENDRIK. Ga, verberg u achter het wandtapijt; de anderen moeten
naar boven gaan. Nu, mannen, een eerlijk gezicht en een goed geweten!
FALSTAFF. Die heb ik alle twee eens gehad; maar hun tijd is er geweest,
en daarom wil ik mij versteken.
(Allen af, behalve de Prins en Poins.)
PRINS HENDRIK. Roep den sheriff binnen.
(De Sheriff en een Voerman komen op.)
Nu, meester Sheriff, wat is uw verlangen?
SHERIFF. Vooreerst verschooning, eed'le prins. Een oploop
Heeft enkle lieden tot dit huis vervolgd.
PRINS HENDRIK. Wie zijn die lieden?
SHERIFF. Één hunner is genoeg bekend, mijn prins;
Een zware, vette man.
VOERMAN. Zoo vet als boter.
PRINS HENDRIK. Die man, kan ik verzeek'ren, is hier niet,
Daar ik juist zelf hem in mijn dienst gebruik.
Doch, sheriff, ik verpand mijn woord aan u,
Dat ik hem morgen middag tot u zend,
Om u, of wien ook, rekenschap te geven
Van alles, wat men hem ten laste legt;
Dus vraag ik u, dat gij dit huis verlaat.
SHERIFF. Terstond, mylord. Bij dezen straatroof hebben
Twee heeren ruim driehonderd mark verloren.
PRINS HENDRIK. Dat moog' zoo zijn. Als hij dien roof bedreef,
Het worde op hem verhaald;--en nu vaarwel!
SHERIFF. Genadig heer, een goede nacht!
PRINS HENDRIK. 't Mag wel reeds "goeden morgen" zijn, niet waar?
SHERIFF. Ja, juist, mylord, 't is over tweeën, meen ik.
(De Sheriff en de Voerman af.)
PRINS HENDRIK. Die schelmachtige olieton is zoo bekend als de
Paulskerk.--Ga, roep hem voor den dag.
POINS. Falstaff!--Vast in slaap achter het tapijt, en snorkend als
een paard.
PRINS HENDRIK. Ja, hoor, hoe zwaar hij ademhaalt. Doorsnuffel zijn
zakken eens. (Poins doet het.)--Wat hebt gij gevonden?
POINS. Niets dan papieren, mylord.
PRINS HENDRIK. Laat zien, wat het is; lees ze voor.
POINS (leest).
Item, een kapoen 2 schelling 2 stuivers.
Item, saus 4 stuivers.
Item, sek, twee stoop 5 schelling 8 stuivers.
Item, ansjovis, en sek na 't avondeten 2 schelling 6 stuivers.
Item, brood 1/2 stuiver.
PRINS HENDRIK. Wel ontzettend! voor slechts een halven stuiver brood
bij deze verschrikkelijke massa sek!--Wat daar verder nog is, steek
het bij u; wij zullen dat bij gelegenheid wel eens lezen. Laat hem
daar slapen tot het dag is. Ik wil morgen vroeg naar het hof; wij
moeten allen in den oorlog, en gij zult een eervolle plaats krijgen. Ik
zal dien vetten schelm een commando te voet verschaffen; en ik weet,
dat een marsch van een paar honderd pas zijn dood zal zijn. Het geld
zal met een goeden bijslag terugbetaald worden. Kom morgen bijtijds
bij mij; en nu, goeden morgen, Poins!
POINS. Goeden morgen, beste Heer!
(Beiden af.)