FALSTAFF. Zestien ten minste, mylord.
GADSHILL. En knevelden ze.
PETO. Neen, neen, zij werden niet gekneveld.
FALSTAFF. Jij schelm, ze werden gekneveld, man voor man, of ik wil
een jood wezen, een Hebreeuwsche jood.
GADSHILL. Toen wij aan het deelen waren, overvielen ons zes of zeven
versche kerels,--
FALSTAFF. En maakten de andren los, en toen kwamen de overigen.
PRINS HENDRIK. Wat! hebt ge met die allen gevochten?
FALSTAFF. Allen? ik weet niet, wat je allen noemt, maar als ik niet met
een vijftig van hen gevochten heb, wil ik een bosje radijs wezen. Als
de arme oude Hans er niet twee of drie en vijftig op den hals had,
ben ik geen tweebeenig creatuur.
PRINS HENDRIK. God geve, dat gij er niet enkelen naar de andere wereld
gestuurd hebt.
FALSTAFF. Ja, daar helpt geen bidden meer voor; ik heb het twee van
hen ingepeperd; twee, dit weet ik zeker, heb ik het betaald gezet,
twee schelmen in stijflinnen plunje. Ik zal je wat zeggen, Hein;--als
ik je iets voorlieg, spuw me dan in het gezicht, noem mij een paard. Je
kent mijn oude parade: zoo lag ik, en zoo hield ik mijn kling. Vier
schelmen in stijflinnen drongen op mij aan;--
PRINS HENDRIK. Wat, vier! Zoo op 't oogenblik zei je twee.
FALSTAFF. Vier, Hein; ik sprak van vier.
POINS. Ja, ja, hij zei vier.
FALSTAFF. Die vier kwamen allen recht op mij af en deden als één man
een uitval tegen mij. Ik maakte er mij niet druk mee, maar ving hun
zeven spitsen alle met mijn schild op,--zóó.
PRINS HENDRIK. Zeven? Daar pas waren het er nog maar vier.
FALSTAFF. In stijflinnen?
POINS. Ja, vier, in stijflinnen plunje.
FALSTAFF. Zeven, bij dit gevest, of ik wil een schelm zijn.
PRINS HENDRIK. Ik bid je, laat hem begaan; op 't oogenblik krijgen
wij er nog meer.
FALSTAFF. Luister je, Hein?
PRINS HENDRIK. Ja, en ik let goed op, Hans.
FALSTAFF. Doe dat; het is het luisteren wel waard. Die negen in
stijflinnen, waar ik van sprak,--
PRINS HENDRIK. Zoo, alweer twee meer.