FRANS. Laat zien;--komenden Sinte Michiel zal ik--

POINS (van binnen). Frans!

FRANS. Dadelijk, heer!--Een amerijtje geduld, mylord!

PRINS HENDRIK. Neen, maar hoor eens, Frans! Die suiker, die je straks

gegeven hebt,--het was voor een stuiver, niet waar?

FRANS. O, prins, ik wenschte, dat het er voor twee geweest was!

PRINS HENDRIK. Ik wil er je duizend pond voor geven; vraag er mij om,

wanneer je wilt, en je zult het hebben.

POINS (van binnen). Frans!

FRANS. Dadelijk, dadelijk!

PRINS HENDRIK. Dadelijk, Frans? Neen, Frans; maar morgen, Frans; of,

Frans, Donderdag; of, wezenlijk, Frans, wanneer je wilt. Maar, Frans,--

FRANS. Mylord?

PRINS HENDRIK. Wil je hèm bestelen, hèm met leêren wambuis, kristallen

knoopen, met ronden knikker, agaten ring, vlookleurige kousen,

gekeperde kniebanden, gladde tong, dikke pens,--

FRANS. Hemelsche goedheid, wien meent gij, Heer?

PRINS HENDRIK. Zie, daarom is bruine muskaat je eenige drank; want,

zie je, Frans, je wit linnen kamizool zal smerig worden. In Barbarije,

vriend, kan het zoo duur niet wezen.

FRANS. Wat, Heer?

POINS (van binnen). Frans!

PRINS HENDRIK. Weg, deugniet! Hoor je niet, dat er geroepen wordt?

(Terwijl Frans weggaat, roepen hem beiden; hij staat verbluft, en

weet niet, welken kant hij uit zal gaan.)

(De Tapper komt op.)

TAPPER. Wat, sta je hier te kijken, terwijl je zoo hoort roepen? Ga,

zie naar de gasten binnen. (Frans af.) Mylord, de oude Sir John en

nog een half dozijn staan voor de deur, zal ik ze binnenlaten?

PRINS HENDRIK. Laat hen nog een oogenblik staan en doe dan de deur

open. (De Tapper af.)--Poins!

(Poins komt weer op.)

POINS. Dadelijk, Heer, dadelijk.

PRINS HENDRIK. Jongen, Falstaff en die andere spitsboeven staan voor

de deur. Willen wij ons eens recht vroolijk maken?

POINS. Zoo vroolijk als krekels, kerel. Maar hoor, welk een kostelijk

spel heb je daar met dien jongen gespeeld! Maar wat nu verder?

PRINS HENDRIK. Ik ben nu gestemd tot alle kluchten, die ooit kluchtig

gebleken zijn van de stokoude dagen van bestevaâr Adam af tot den

zuigelingsleeftijd van ditzelfde middernachtsuur toe. (Hij roept.)

Hoe laat is het, Frans?

(Frans komt weer op.)

FRANS. Dadelijk, Heer, dadelijk.

(Frans af.)

PRINS HENDRIK. Hoe kan die knaap minder woorden hebben dan een

papegaai, en toch de zoon wezen van een vrouwmensch? Zijn bezigheid

is--trap op, trap af,--zijn welsprekendheid, het optellen van

verteringen.--Ik ben nog niet gestemd als Percy, de Heetspoor van het

noorden, die je zijn zes of zeven dozijn Schotten voor zijn ontbijt

ombrengt, zijn handen wascht en tot zijn vrouw zegt: "Foei, wat een

stil leventje! ik verlang naar werk." "O, mijn lieve Hendrik," zegt

zij, "hoe velen hebt gij er vandaag omgebracht?" "Geef mijn roodvos te

drinken;" zegt hij, en antwoordt "een stuk of veertien," een uur later,

"een kleinigheid, een kleinigheid."--Ik bid u, roep Falstaff binnen; ik

zal Percy spelen, en die vervloekte paaschos moet voor Dame Mortimer,

zijn vrouw, spelen. "Rivo", zegt de dronkaard. Roep het ribbenstuk,

roep den vetklomp binnen.

(Falstaff, Gadshill, Bardolf en Peto komen op, en ook Frans.)

POINS. Welkom, Hans, waar ben je geweest?

FALSTAFF. Haal' de pest alle laf bekken, zeg ik, en sla hen de donder

bovendien! Ja en amen!--Geef mij een beker sek, jongen!--eer ik

langer zoo'n leven leid, wil ik liever kousen breien en ze mazen en

verhielen ook. Haal' de pest alle lafbekken!--Geef mij een beker sek,

schelm!--Is er in 't geheel geen deugd meer op aarde?

(Frans brengt hem wijn; hij drinkt.)

PRINS HENDRIK (tot Poins). Heb je nooit gezien, hoe Phoebus een schaal

boter kuste,--de weekhartige Phoebus,--en hoe de boter bij de zoete

woordjes van den Zonnegod smolt? Heb je het wel eens gezien, zie dan

nu deze massa eens aan.

FALSTAFF. Jij schelm, daar is nu ook kalk in deze sek; niets dan

schurkerij is er te vinden bij booze menschen. (Frans af.) Maar een

lafaard is nog erger dan een beker sek met kalk; zulk een schurkachtige

lafaard!--Ga voort op uw weg, oude Hans; sterf als gij wilt. Als

manhaftigheid, echte manhaftigheid niet van het aangezicht der aarde

verdwenen is, ben ik een ijle haring. In heel England leven geen

drie echte mannen, die niet gehangen zijn, en een van hen is vet en

wordt oud. God beter' 't! een slechte wereld, zeg ik. Ik wenschte,

dat ik een wever was; ik zou psalmen kunnen zingen of wat ook. De

pest hale alle lafbekken, zeg ik nog eens.

PRINS HENDRIK. Komaan, wolbaal, wat brom je daar zoo in je baard?

FALSTAFF. Een koningszoon! Als ik je niet uit je koninkrijk jaag met

een houten zwaard, en al je onderdanen voor je uitdrijf als een zwerm

wilde ganzen, wil ik nooit meer een haar op mijn gezicht dragen. Gij

een prins van Wales!

PRINS HENDRIK. Nu, jij schandalige rolpens, wat heb je dan?

FALSTAFF. Ben je niet een lafaard?--geef daar eens antwoord op,--en

Poins daar ook?

POINS. Alle duivels, jij vetklomp, als je mij een lafaard noemt,

steek ik je dood.

FALSTAFF. Ik je een lafaard noemen! Ik wil jou verdoemd zien, eer ik

je een lafaard noem; maar ik gaf wel duizend pond, als ik zoo hard

kon loopen als jij. Je bent recht genoeg in de schouders en het kan

je niet schelen, wie je rug ziet; noem je dat, je vrienden den rug

dekken! De pest haal' zulke ruggevrienden! geef er mij, die mij het

gelaat toekeeren!--Geef mij een beker sek; ik ben een schelm, als ik

vandaag iets over mijn lippen heb gehad.

PRINS HENDRIK. O schurk, je hebt ze nog niet afgeveegd na den

laatsten dronk.

(Frans brengt wijn en gaat weer heen.)

FALSTAFF. Het komt op hetzelfde neer. (Hij drinkt.) De pest hale alle

lafaards, zeg ik nog eens.

PRINS HENDRIK. Wat is er dan toch?

FALSTAFF. Wat er is? er zijn er hier vier onder ons, die van morgen

vroeg een duizend pond hebben buitgemaakt.

PRINS HENDRIK. Waar is het, Hans? waar is het?

FALSTAFF. Waar het is! ons afgenomen is het; omtrent honderd tegen

onze armzalige vier.

PRINS HENDRIK. Wat! een honderd, mensch?

FALSTAFF. Ik ben een schelm, als ik niet met een dozijn van hen op een

halve degenlengte geweest ben, twee uren aan één stuk. Door een wonder

heb ik er het leven afgebracht. Ik heb acht stooten door mijn wambuis

gekregen, vier door mijn hozen; mijn schild is door en door gehouwen,

mijn zwaard ingehakt, als een handzaag; ecce signum. Sinds ik man ben,

heb ik mij nooit beter gehouden; maar het mocht niet baten. De pest

hale alle lafaards!--Laten zij spreken! als zij aan de waarheid iets

toe- of afdoen, zijn zij schurken en zonen der duisternis.

PRINS HENDRIK. Spreekt, mannen; hoe ging het toe?

Koning Hendrik de Vierde · 第 16 / 79 题