De groote weg bij Gadshill.
Prins Hendrik en Poins konen op; Bardolf en Peto, op een afstand.
POINS. Kom, wegschuilen, wegschuilen! ik heb Falstaff's paard ter
zijde geleid, en hij knarst als gesteven fluweel.
PRINS HENDRIK. Op zijde!
(Falstaff komt op.)
FALSTAFF. Poins! Poins! naar de galg met je! Poins!
PRINS HENDRIK. Stil toch, gemeste rakker! wat is dat voor een getier,
dat je maakt?
FALSTAFF. Waar is Poins, Hein?
PRINS HENDRIK. Hij is boven op den heuvel geklommen; ik wil hem zoeken.
(Hij houdt zich, alsof hij Poins zoekt.)
FALSTAFF. Het is een vloek, in gezelschap van dien spitsboef uit rooven
te gaan; de rakker heeft mijn paard verdonkeremaand en ik weet niet
waar vastgebonden. Als ik nog vier voet, met den duimstok gemeten, te
voet ga, zal ik bersten. Nu ik hoop met dat al een eerlijken dood te
sterven, als ik ten minste niet gehangen word om het ombrengen van dien
schoft. Ik heb nu sinds twee en twintig jaren ieder dag en uur zijn
gezelschap afgezworen, en toch ben ik nog altijd met het gezelschap van
dien schoft behekst. Als die schurk me geen drankjes heeft ingegeven,
dat ik van hem houden moet, laat ik mij hangen; het kan niet anders,
ik heb drankjes ingekregen.--Poins!--Hein!--Loopt alle twee naar den
duivel!--Bardolf!--Peto!--Ik wil van honger sterven, eer ik een voet
verder ga rooven. Als het niet even verdienstelijk als drinken is,
een eerlijke kerel te worden en die schurken te verlaten, ben ik
de grootste lomperd, die ooit tanden had om te bijten. Tien ellen
oneffen grond te voet zijn voor mij zes dozijn mijlen en meer, en die
booswichten met steenen harten weten dat maar al te goed. Naar den
duivel er mee, als dieven onder elkaar niet eerlijk kunnen zijn. (Er
wordt gefloten.) Wuwu!--Naar den duivel met je allen! Geeft mij mijn
paard, schelmen! Geeft mij mijn paard en laat je hangen!
PRINS HENDRIK. Stil, dikbuik! leg je neer; leg je oor vlak op den
grond, en luister of je niet het stappen van reizigers hoort.
FALSTAFF. Heb je hefboomen, om mij weer op te richten, als ik eens
lig? Alle duivels, ik wil mijn eigen vleesch nooit meer zoo ver te
voet voortsleepen, voor al het geld in je vaders schatkamer niet! Loop
naar de weêrgâ, 't is uit tusschen ons, je hebt het voor goed bij
mij verknold.
PRINS HENDRIK. Wat reutel je, verknold? ontknold, dat ben je.
FALSTAFF. Ik bid je, beste prins Hein, help mij weer aan mijn paard,
mijn lieve koningszoon!
PRINS HENDRIK. Loop, schelm! moet ik je stalknecht zijn?
FALSTAFF. Nu dan, hang je zelven op aan je eigen
vermoedelijke-troonopvolgers-kousebanden! Als ze mij krijgen, verklik
ik alles. Als ik niet zorg, dat ze straatliedjes maken op jullie
allen, en die op gemeene deuntjes zingen, mag ik vergiftigd worden
met een roemer sek. Als een grap ver gaat, en dat nog wel te voet,
heb ik er een afschuw van.
(Gadshill komt op.)
GADSHILL. Sta!
FALSTAFF. Dat doe ik, tegen mijn zin.
POINS. O, het is onze speurhond; ik ken zijn stem.
(Bardolf komt op.)
BARDOLF. Wat is er?
GADSHILL. Gezichten weg, de maskers voor! daar komt geld van den
koning den heuvel af, het gaat naar 's konings schatkamer.
FALSTAFF. Dat liegt ge, schelm; het gaat naar 's konings wijnhuis.