GADSHILL. Het is genoeg, om ons allen--

FALSTAFF. Aan de galg te helpen.

PRINS HENDRIK. Mannen, jullie vieren valt hen aan in den hollen

weg; Poins en ik gaan verder naar beneden; als zij den aanval boven

ontsnappen, loopen zij ons in den mond.

PETO. Met hun hoevelen zijn zij?

GADSHILL. Acht of tien ongeveer.

FALSTAFF. Verduiveld, zullen zij òns niet plunderen?

PRINS HENDRIK. Wat, een lafaard, Sir John Dikpens?

FALSTAFF. Nu, zijn magerheid, Jan van Gent, uw grootvader, ben ik niet,

maar toch geen lafaard, Hein.

PRINS HENDRIK. Nu, de proef zal 't leeren.

POINS. Vriend Hans, je paard staat achter de heg; als je het noodig

hebt, vind je het daar. Vaarwel en houd je goed.

FALSTAFF. Nu kan ik hem toch niet ranselen, al stond er de galg op.

PRINS HENDRIK (ter zijde tot Poins). Edu, waar zijn onze vermommingen?

POINS. Hier vlak bij, kom hier ter zijde.

(Prins Hendrik en Poins af.)

FALSTAFF. Nu mannen, wie waagt, die wint, zeg ik, alle man nu aan

't werk!

(Reizigers komen op.)

EERSTE REIZIGER. Kom buurman, de jongen kan onze paarden den heuvel

afleiden; wij willen een poos te voet gaan om ons wat te vertreden.

DE ROOVERS. Staat!

DE REIZIGERS. Heere Jezus! help ons!

FALSTAFF. Slaat toe! op den grond met hen! snijdt aan de schurken

den hals af! O dat vervloekte uitzuigersgeboefte! spekvreters! zij

verfoeien ons, jong volk! scheert hun de wol af!

DE REIZIGERS. O, wij zijn verloren, wij en de onzen, voor altijd!

FALSTAFF. Laat je hangen, smeerbuikige schoften! Jullie verloren? Neen,

vette korenwolven, ik wenschte, dat wij je voorraad hier hadden. Voort,

spekkerels, voort! Wat, schelmen! jonge menschen moeten ook

leven. Gezworenen ben je ook, niet waar? Nu, wij zullen je bezweren,

hoor je!

(Falstaff en de Overigen af, de Reizigers voor zich uit drijvend.)

(Prins Hendrik en Poins komen weer op, verkleed.)

PRINS HENDRIK. De dieven hebben de eerlijke lui gebonden. Als wij

tweeën nu de dieven konden berooven en lustig naar Londen trekken,

zou dat stof tot onderhoud geven voor een week, gelach voor een maand,

en een prachtige grap voor altoos.

POINS. Ter zijde! ik hoor hen komen.

(De Roovers komen weder op.)

FALSTAFF. Komt, mannen, laat ons deelen, en dan te paard, eer het dag

wordt. (Zij gaan allen op den grond zitten.) Als de Prins en Poins niet

twee aartslafaards zijn, dan is er geen gerechtigheid meer op aarde;

die Poins heeft niet meer dapperheid in het lijf, dan een wilde eend.

PRINS HENDRIK (te voorschijn stortend). Je geld!

POINS. Schurken!

(Terwijl Falstaff en de zijnen aan het deelen zijn, overvallen hen

de Prins en Poins. Allen loopen weg, Falstaff na een paar stooten

eveneens, hun buit in den steek latend.)

PRINS HENDRIK. Veroverd in een wip! Nu vlug te paard!

De roovers zijn verstrooid en zoo van vrees

Bezeten, dat zij voor elkaar gaan loopen;

Elk hunner houdt zijn makker voor een rakker.

Kom meê, vriend Edu. Falstaff zweet zich dood,

En spekt de magere aarde, waar hij loopt;

'k Zou hem beklagen, kon ik dat van 't lachen.

POINS. Dat brullen van dien deugniet!

(Beiden af.)

Koning Hendrik de Vierde · 第 12 / 79 题