Rochester. Het binnenhof van een herberg.
Een Voerman komt op, met een lantaren.
EERSTE VOERMAN. Hola!--Als het niet op slag van vieren is, laat ik
me hangen; de Groote Wagen staat al boven den nieuwen schoorsteen,
en nog is ons paard niet gepakt. Kom toch, stalknecht!
STALKNECHT (van binnen). Ja, ja, ik kom.
EERSTE VOERMAN. Zeg, Tom, klop Hans zijn zadel gelijk en steek een
paar vlokken wol onder den knop; de arme knol is aan de schoft gedrukt
als ik weet niet wat.
(Een tweede Voerman komt op).
TWEEDE VOERMAN. De erwten en boonen zijn hier zoo muf als een hond,
en dat is de ware manier om aan de arme knollen wurmen te bezorgen. Dit
huis is het onderste boven gekeerd, sinds Jaap de stalknecht dood is.
EERSTE VOERMAN. Die arme kerel! hij had geen vroolijk uur meer sinds
de haver zoo opsloeg; dat was zijn dood.
TWEEDE VOERMAN. Ik geloof, dat dit wel het beroerdste huis is op den
geheelen Londenschen weg, wat de vlooien betreft; ik ben zoo gestoken
als een zeelt.
EERSTE VOERMAN. Als een zeelt? Voor den duivel, geen koning in
de christenheid kan erger gebeten zijn dan ik, sinds het eerste
hanengekraai.
TWEEDE VOERMAN. Wel, zij gunnen ons ook nooit een pot en dan watert
elk onder de schouw; en zoo'n kamerloog broeit vlooien als kikkerschot.
EERSTE VOERMAN. Kom toch, stalknecht! Voor den dag en laat je
hangen! kom toch!
TWEEDE VOERMAN. Ik heb een zij spek en twee pakken gember, die ik
heel te Charingcross moet afleveren.
EERSTE VOERMAN. God in den hemel! de kalkoenen in mijn korf zijn zoo
goed als verhongerd.--Hei, stalknecht!--Haal je de pest! Heb je geen
oogen in 't hoofd? kan je niet hooren? Als het niet een loffelijk
werk is, even goed als drinken, je de hersens in te slaan, ben ik
een hondsvot.--Kom, en laat je hangen! Is er niets op je te bouwen?
(Gadshill komt op.)
GADSHILL. Goeden morgen, voerluî; hoe laat is het?
EERSTE VOERMAN. Ik geloof, twee.
GADSHILL. Ik bid je, leen me even je lantaren, om op stal naar mijn
ruin te kijken.
EERSTE VOERMAN. Bedaard wat, bid ik je; ik ken streken, tweemaal zoo
goed als die, hoor.
GADSHILL. Leen jij me dan de jouwe, bid ik je.
TWEEDE VOERMAN. Ja, wanneer? tel dat maar op je knoopen af. "Leen me
je lantaren!"--waarachtig, eer wil ik je zien hangen.
GADSHILL. Jij voerman, hoe laat denk je te Londen te zijn?
TWEEDE VOERMAN. Vroeg genoeg om met een kaars naar bed te gaan,
dat verzeker ik je.--Kom, vriend Joost, wij willen de heerschappen
oproepen; zij willen in gezelschap verder, want zij hebben vrij wat
bij zich.
(De Voerlieden af.)
GADSHILL. Heidaar, laarzenpoetser!
LAARZENPOETSER (binnen.) Bij de hand, zegt de beurzensnijder.
GADSHILL. Je kunt even zoo goed zeggen: "bij de hand, zegt de
laarzenpoetser", want je bent van het beurzensnijden niet verder af
dan het aanwijzen van het uitvoeren af is; je doet de geschiedenis
aan de hand.
(De Laarzenpoetser komt op.)
LAARZENPOETSER. Goeden morgen, sinjeur Gadshill. Het blijft zoo,
als ik gisteren avond je verteld heb; het is een grondbezitter uit
de wouden van Kent, die driehonderd mark in goud bij zich heeft; ik
heb het hem gisteren avond aan tafel hooren zeggen tegen een van het
gezelschap, een soort van rentmeester, die ook een aardig vrachtje
bij zich heeft, God weet wat. Zij zijn al op en verlangen brood met
eieren; zij willen dadelijk heen.
GADSHILL. Nu, man, als die niet Sint Nicolaas zijn makkers tegenkomen,
mag je mijn nek present hebben.
LAARZENPOETSER. Neen, man, ik dank je, bewaar die maar voor den beul,
want ik weet, jij dient Sint Nicolaas zoo braaf, als een spitsboef
maar doen kan.
GADSHILL. Wat spreek je mij van den beul? als ik moet hangen,
maak ik een paar galgen vet; want als ik hang, hangt de oude Sir
John er bij en je weet, die is geen hongerlijder. Stil! er zijn
nog andere Trojanen, waar je niet van droomt, die voor de grap zich
verwaardigen het handwerk eer aan te doen; die zouden, als men ons
te nauw op de vingers keek, voor hun eigen goeden naam, alles in het
effen brengen. Ik sluit me niet aan bij landloopers te voet, niet bij
knuppeldragende schellingafzetters, niet bij dolle, snorrendragende,
purperroode moutwurmen: maar bij adel en renteniers; bij burgemeesters
en groote hanzen; bij mannen, die hun stand ophouden, die eer zullen
toeslaan dan spreken, eer spreken dan drinken, en eer drinken dan
bidden; doch neen, hier lieg ik; want ze roepen telkens hun heilige
aan: 's lands welvaren; of liever ze roepen het niet aan, maar houden
het aan, en het varen in dat schuitje is hun bestaan.
LAARZENPOETSER. Wat! 's lands welvaren hun schuitje? en kunnen ze
dat waterdicht houden in boos vaarwater?
GADSHILL. Zeker, zeker, geen gevaar; te rechter tijd weten zij te
stoppen en te smeren, waar het noodig is. Wij stelen als achter een
wal, schootvrij; wij hebben het recept van varenzaadjes, wij zwerven
onzichtbaar om.
LAARZENPOETSER. Nu, op mijn woord, ik geloof, dat je het meer aan
de nacht dan aan het varenzaad te danken hebt, dat je onzichtbaar
rondzwerft.
GADSHILL. Geef me de hand; je zult je deel in onze winst hebben,
zoo waar ik een eerlijk man ben.
LAARZENPOETSER. Geef het me liever, zoo waar je een spitsboef bent.
GADSHILL. Loop rondom; homo is een algemeene naam voor alle
menschen. Zeg den stalknecht, dat hij mijn ruin uit den stal
haalt. Vaarwel, smerige schobbejak!
(Beiden af.)