Toch dwalen zijn blikken, als van zelf weer omlaag, links en rechts rond
spiedend, als hij, de cornet sierlijk in de hoogte stekend, met diep
gevoel de laatste maten begint:
Du bist mir nah und doch so fern,
Du liebes Aug'....
"Muziekantje! d'r komt 'n smeris an in de straat," roept eensklaps een
klein jongetje, dat met zijn groezelige handen op de rug staat te
genieten van de mooie muziek.
... Du lieber Sté-hé-ern
gilt overslaand, als in doodsangst de cornet en met onnavolgbare
vlugheid verdwijnt het instrument in des Oempah's sporthemd en zwelt
zijn broekzak eensklaps door den beker, die halverwege zichtbaar blijft.
De muziekant is dadelijk veranderd in een particulier, die met alle
aandacht een aan den walkant staande kruierskar fluitend bekijkt, totdat
de agent, die in den voorgeschreven pas de straat uit en de brug over
wandelt, verdwenen is.
't Gevaar is voorbij!
"De smeris is de brug over!" waarschuwt het ventje, dat veel van cornet
á pistons schijnt te houden. "Uwe kan wel weer doortoeteren!"
De Oempah heeft 't reeds opgemerkt--'t instrument is bliksemsnel weêr in
orde en smeltend klinkt nu door de lucht:
Du bist mir na-áh und do-hô-och so fern!
met een verbazend langen, mooien, bibberenden uithaal op de laatste
halve noot.--
Met een armoedig gezicht naar de dames in de zijkamer ziende, neemt nu
de muziekant zijn hoedje af, als wilde hij zeggen: "ik heb waarlijk wel
iets verdiend--voor mijn moed!"
Men neemt daarbinnen echter nog geen notitie van hem--en slechts enkele
omstanders geven een paar centen, waarvoor hij met een tikje van den
rechter voorvinger aan 't weer opgezette hoedje bedankt. Dan begint hij
opnieuw zoo liefelijk mogelijk: