"Muzikant let op, ze maken binnen een pampiertje voor je," en een dikke,
goedige vrouw geeft hem een stoot aan den elleboog, waardoor zijn vinger
van de piston glipten de strophe:
D'rin spiegelt sich des Himmelsblau!
met een akelig valschen kwaak eindigt.
Schuin naar het in aantocht zijnde papiertje kijkend brengt hij het nog
tot:
Und wenn dies Auge nicht mehr lacht,
Da-än wird es ewig, ewig Nacht!
Dan gaat het venster open, en 't kleine witte pakje vliegt door de
lucht. Hij vangt het in de vlucht in zijn haastig afgenomen hoed en
speelt met gevoel verder:
Du--hu!--liebes Aug'l....
maar als een paar vriendelijke toehoorders haastig roepen: "daar kom er
weer een an op de gracht!" rekt hij zich op zijn teenen omhoog, om te
zien of hij 't refrein nog voleinden kan.
't Zal wel lukken, met mannenmoed blaast hij:
Du--hu! lieber Sté-he-rn!
Een paar geldstukken vallen, door onzichtbare handen geworpen, voor zijn
voeten.
Met de ééne hand de piston beheerschend, snel bukkend en daardoor
afgebroken blazend, neemt hij met de andere het geld op en juist als hij
't hartroerend:
Du--hu, bist mir na-áh!
ten tweeden male doet hooren, roept een meisje met schelle stem: "Pak
nou je beenen op, van de andere kant komt ook een agent!"
Daar valt een grooter pakje voor zijn voeten neer; een lachende dame
heeft het uit 't opengeschoven zijkamervenster geworden.
Even dankend zijn hoed oplichtend "für das Abendbrot", de Oempah blijft
bij al zijn tekortkomingen toch een hoffelijk man, raapt hij het op, al
klinkt daardoor het:
Und doch so fé-hérn!
ellendig valsch en uit de maat.
De agent is nu zeer dicht bij hem en reeds dwingt hij zijn beenen tot
een hompelenden aftocht, als een man hem naroept: "Hei! ho! Blaasmoffie
daar valt nog 'n pampiertje!"
Dat is misschien "die Woerscht" denkt hij en met zijn instrument nog
ongedeeld in de hand gaat hij hinkend terug.
Er kome dan van, wat er van komen moet--hij zal 't wagen. Hij gaat zijn
noodlot te gemoet en ... geen zes pas van den agent verwijderd grijpt
hij het pakje, vóór zijn vijand hém grijpen kan.
De politiedienaar, misschien een zeldzaam medelijdend man wandelt echter
doodkalm door en kijkt zelfs niet om als hij op de volgende gracht is en
uit de verte hoort, hoe een oogenblik later de Oempah, in een zijstraat,
wreedaardiglijk "die wacht am Rhein" vermoordt.
* * * * *
En zóó dwaalt de laatste der Oempah's door de duister wordende straten,
totdat de nacht valt en hij in 't slopje bij de "muziekmoffin"
terugkomt. Op een ouden muffen stroozak liggend, tracht hij te slapen,
terwijl zij hem de buitengewone radheid en scherpte van haar tong, 't
eenige lichaamsdeel dat haar nog geheel ten dienste staat, doet gevoelen
omdat hij volgens haar begrippen, altijd te weinig thuis brengt.
Als hij eindelijk inslaapt, droomt hij soms van de bergen zijner
Heimath, van zijn vroolijken regimentstijd of van zijn vrienden de
andere Oempah's, die vrij rondtrekken in steden en dorpen, waar de
orgels niet anders mogen komen dan in kermistijd, waar geen
politieagenten op hen loeren en waar 't zoo goed en goedkoop is, dat
niemand denkt aan "der Holländische sjenever, das Teufelstrinken."