DE LAATSTE DER OEMPAH'S

't Begint al meer of min te schemeren, de lucht is donker en zwaar van

buien, langzaam uit 't Zuidwesten opkomend, nu en dan sneller

voortgestuwd door den wind, die soms met een plotselingen stoot

henenvaart tusschen de hooge huizen en spichtige schoorsteenen der

groote stad, enkele dikke druppels en sneeuwvlokken voor zich uit jagend

als de voorboden van ruw, koud weer.

't Wordt allengs donkerder--op enkele plaatsen in de tochtige stegen en

sloppen, waar de oude, bouwvallige, kille huisjes, als bij elkander

steun en warmte zoekend, zich opèèndringen, schemert reeds roodachtige

lampenschijn door de stoffige ruiten en gore gordijntjes, waarachter

arme menschen huiverend en hongerig hun leven vol zorg, in doffe

onverschilligheid voortleven.

Uit een dier smalle steegjes, uit een huis waarvan de trapdeur nooit

gesloten wordt en waarin een aantal huisgezinnen opeengepakt zijn, is

hij langzaam, moeilijk loopend, bijna hinkend te voorschijn gekomen, de

ongelukkige Oempah!

Hij is gewond, hij bloedt nog, want gisteren heeft hij in een potscherf

getrapt, toen hij vluchten moest voor zijn vijand den politieagent. Zijn

schoenen beschermen zijn voeten niet meer, ze zijn gescheurd en

versleten en bedekken nauwelijks de grove wollen sokken vol gaten.

Treurig sluipt hij voort over de glibberige straat.

Hij, die eens een fiere krijger was, die, trotsch en moedig een

brieschenden schimmel bereed, hij sukkelt nu langzaam verder met

knikkende knieën en met gebogen hoofd. Zijn moede, donkere oogen,

waterig door alkohol en verkoudheid, staren dof en doelloos voor zich

uit.

Snuffelend haalt hij den rooden, kouden neus op en in zijn ongeschoren,

reeds grijs wordende stoppel-baard rollen nu en dan een paar zilte

tranen,--zóó erg heeft de arme Oempah het beet.

Schurkend met de schouders en rillend--het grijs-groene, rafelige jasje,

dat hij over zijn eenmaal rose sporthemd draagt, is, evenals zijn te

korte geruite broek, veel te dun voor 't seizoen--schommelt hij een der

minder bezochte hoofdstraten in. Onder zijn jasje, tegen zijn borst

gedrukt, verbergt hij iets wat hem heel dierbaar schijnt te zijn, want

hij drukt het met den linkerarm stijf tegen zijn hart en met de

rechterhand voelt hij er nu en dan naar, als meende hij het te zullen

verliezen. Zijn rechterbroekzak puilt geweldig uit door iets glimmends,

dat hij telkens zorgvuldig met een pand van zijn jasje zoekt te

bedekken.

Hij is onrustig; schichtig ziet hij om terwijl hij voortgaat over de

natte keien der groote stad, die hem, den vreemdeling, verstoot en

vervolgt.

Hij balt de vuisten, zijn lippen trillen en somber fronsen zich zijn

dichte, nog donkere wenkbrauwen, als hij plotseling terugdenkt aan den

tijd vóór hij zich bij den stam der Oempah's had aangesloten,--aan dien

goeden tijd toen hij, de vrije zoon der bergen, jong en sterk, op zijn

vurig ros gezeten, het oorlogspad opging en de jonge meisjes haar

woningen uitkwamen om hem te zien en vriendelijk toe te lachen.

Toen was hij nog rijzig en welgemaakt, schoon in zijn krijgsdos met den

wuivenden vederbos op het hoofd, den fladderen mantel om de schouders!

Toen was zijn oog helder en scherp als dat van den valk en als zijn

krachtige adem in den krijgshoorn blies, weêrgalmden bosschen en velden

van 't geluid en werden de echo's der bergen wakker. Jong en oud

begroetten hem juichend als hij door de dorpen trok en overal bood men

hem spijs en drank en de eereplaats bij het vuur. En toen hij het

oorlogspad verliet, rieden enkele ouderen, wier grijze haren van

wijsheid en kalmte getuigden, hem aan, zich bij hen te vestigen, een

vrouw te kiezen en rustig in hun midden te blijven en te leven van

akkerbouw en veeteelt,--maar hij wilde niet, hij had nog te veel wilde

haren, daarom sloot hij zich aan bij een stam Oempah's, die een zwervend

leven leidden. Zijn oorlogsdos verwisselde hij voor het kleed der

Oempah's, een groenachtige fantasieuniform met geel katoenen passanten

op de schouders en glimmende koperen knoopen. Hij zette een platte,

groene pet op, zonder klep, met een geel biesje er om en een kleine rood

en zwarte kokarde er aan. Zijn beenen omkleede hij met een witte broek,

die, ofschoon meestal bemodderd en beklonterd, toch niet gescheurd was,

en aan zijn voeten droeg hij groote lederen schoenen met sterke

bespijkerde zolen.

In plaats van in den krijgshoorn blies hij nu op een halfsleten cornet à

piston--onwillekeurig drukt hij de hand tegen de borst, ze rust daar

thans nog; zij is hem trouw gebleven ook in zijn verval.

Hij herinnert zich hoe hij haar kocht van den hoofdman der Oempah's, die

den stam verliet om zich ergens in een klein dorp als schoenmaker te

vestigen, omdat hij begreep dat er meer brood in 't lappen en maken van

schoenen, dan in 't blazen van wals, potpourri of marsch stak.

Met die "cornet" nam hij tegelijk het bevel van den troep over en

terwijl hij nu, rillend van kou en met een bonten kiespijndoek om 't

hoofd onder zijn roodzwart, rond hoedje, sukkelig, armzalig verder gaat,

komt zijn geheele bende hem weer voor den geest. Onwillekeurig glimlacht

hij even als hij ze plotseling in gedachten voor zich ziet: de lange

magere, sproeterige klarinettist met den rossigen sik en den blauwen

bril; de breedgeschouderde, dikbuikige, roodwangige, blonde reus, die 't

piccolo-fluitje zoo schel bespeelde; de altijd opgeruimde, goedmoedige,

bijziende snorrebaard met zijn schuiftrompet; de scheefgegroeide

vlasblonde boerenkinkel die melancholisch in den waldhoorn blies en het

allerkleinste Oempah'tje, bijna bezwijkend onder 't gewicht van den

grooten bashoorn, waarmeê hij de andere instrumenten begeleidde door het

onophoudelijk, blazend en hijgend uitgestooten: Oempah--Oempah--Oempah!

Toen had hij geen gebrek aan brood en bier, àl leefde hij ook van den

eenen dag op den anderen, toen sliep hij soms op een bed, soms in een

hooiberg of op versch gedorscht stroo in een schuur--maar hij sliep

rustig en met een gevulde maag ... en nu? Nu is hij de schim van 't geen

hij eens was.

De groote stad is zijn ongeluk geweest. Hij had dáár nooit moeten komen,

ten minste er niet moeten blijven, maar zijn noodlot in de gedaante van

een dikke, overvriendelijke en al te toeschietelijke vrouw, die in een

der buitenwijken een welbeklante tapperij hield, had hem bereikt--en

vastgehouden. Zij beweerde een hartstochtelijke liefde voor muziek te

hebben, terwijl haar flegmatieke man tegen zijn buren volhield; "dat het

meer de muzikant was, die haar aantrok en dat de Oempah #zijn

onversneden# in zijn dorstige moffenkeel goot, omdat "de vrouw" zei

dat hij er niets voor #mocht# betalen, maar dat 't hèm niet schelen

kon, als ze hem maar met rust lieten." Intusschen togen de andere

Oempah's, minder gevoelig voor de aanmoedigende blikken der bazin en den

Hollandschen jenever, verder onder aanvoering van den klarinettist, die

de cornet nooit had kunnen lijden omdat hij zijn instrument

overschetterde.

De Oempah hield van zijn gemak en bleef dus bij de vrouw, die hem in

haar vleezige armen en bij haar steeds welvoorziene tapkast

vasttooverde.

De baas uit de "Visschende reiger", een dikke waterzuchtige man, die,

altijd rookend, op zijn gebloemde pantoffels en in zijn overhemd en

bretels, in het kleine tuintje achter de tapperij stond te soezen over

't voortreffelijke van zijn eigen consumptie en elken dag

onverschilliger, rooder en opgezetter werd, was eindelijk

schouderophalend zijn vriend geworden om met "de vrouw" vrede te houden,

daar hij den toestand zóó 't gemakkelijkste vond. Zóó deelde de Oempah

geruimen tijd met het echtpaar de woning, waarin de "onversneden" hem

allengs beter en de vrouw hem langzaam aan minder beviel.

Toch bleef hij, omdat de bazin hem 't leven, "lui en lekker" maakte en

niet op een paar gulden keek--totdat eensklaps de wettige man te dik was

geworden voor zijn zwak hart, niet meer rookte en de gebloemde

pantoffels voor een paar oude wollen kousen en 't uitpuilend overhemd

voor een doodshemd verwisselde.

Een begrafenis derde klasse, niet veel bijzonders, vooral wanneer er

maar één volgkoets is, waarin slechts één vriend zit, doch er bleef in

de toonbanklade en in de linnenkast van "de vrouw" wel zóóveel over dat

zij een paar maanden nadat de Oempah haar man de laatste eer had

bewezen, een mooien trouw-coupé kon laten voorrijden voor dezelfde deur,

waarvoor de eenvoudige lijkwagen had gestaan.

De bazin met al haar goud behangen, en fluweelen mantel om, een toque

met roode rozen en oranjebloesem op 't hoofd, en de Oempah in het voor

hem pasgemaakte zwart lakensche pak van wijlen den baas en met een

nieuwen hoogzijden hoed op, stapten er in en kwamen terug als

echtelieden, die voortaan lief en leed zouden deelen.

De habitués van de "visschende reiger" werden dien dag bij gesloten

deuren onthaald, totdat al de flesschen leeg en de zingende, joelende

menschen overvol waren en toen de laatsten, midden in den nacht waren

weggezwaaid, wisselden de echtgenooten de eerste klappen.

Jenever is een eigenaardig vocht, 't verteert op den duur alles wat er

mede in aanraking komt, zelfs een weldoortimmerd eigen huisje is er niet

tegen bestand, en vooral wanneer echtelieden eendrachtig samenwerken in

't gebruik, doet zij haar werking dubbel snel. Binnen korten tijd

benijdde de Oempah den man, die de eeuwige rust was ingegaan en zei de

vrouw in arren moede: "Jij bent een doodvreter. Hoepel op, beroerde mof,

ga terug naar je land voor mijn part!"

Maar de mof hoepelde niet op, hij bleef en verzoende zich kalmpjes met

de bazin, die dezelfde uitnoodiging nog herhaaldelijk tot hem richtte,

maar toch telkens weer verteederd in zijn armen zonk, omdat hij toch

"zoo'n leuk moffie" was als hij 'm niet om had--en hij vond haar,

zoolang ze nog geld bezat, zoo kwaad niet, al zeiden de buren ook: "Ze

pakt 'm van tijd tot tijd zóó, dat 't zonde en schande is om te zien!"

En zóó leefden zij samen voort, in één roes, in één huis, totdat alles

wat er nog was en alles wat er nu en dan inkwam, zich oploste in het

vocht, dat volgens het zeggen der habitués: "niet voor de ganzen wordt

gebrouwen."

De eigen tapperij was reeds lang verlaten voor een kleine gehuurde

kroeg, waar minder te doen en dus nog meer te drinken was en vóór het

gras 't graf van den gestorven man geheel bedekte, togen de vrouw en de

Oempah ook daaruit naar een achterbuurt van de stad, elkander de schuld

gevend van hun verval, schimpend en scheldend, 't toeval verwenschend

dat hen samen had gebracht.

Er is iets zonderlings in de menschelijke natuur, waarvoor de

psychologen nog geen verklaring hebben gevonden, namelijk het bij

elkander blijven van lieden, die feitelijk, zooals men het vulgair

uitdrukt: elkander niet kunnen luchten of zien. Zelfs minder

ontwikkelden merken dit eigenaardige verschijnsel op, want in het

buurtje, waar de vrouw met haar Oempah woonde, zeiden de menschen:--"Je

zou zeggen, hoe is 't mogelijk, ze leven als hond en kat, ze spelen

mekaar voortdurend op d'r tabernakel--en toch blijven ze samen, die

moffenmuzikant en dat dikke ouwe wijf!"

En zóó was het ook: deelden ze vroeger min of meer oneerlijk "de

centjes" van den ter rechter tijd ontslapen man, nu deelden ze eerlijk

armoede en ontbering, af en toe door een hartige ruzie wat afwisseling

brengend in hun eentonig bestaan.

De vrouw was eindelijk, waarschijnlijk tengevolge van overspanning bij

de herhaalde verschillen van meening met haar echtgenoot, aan ééne zijde

ietwat lam geworden en de Oempah had zijn "embouchure" niet meer zooals

vroeger tot zijn dienst; hij had een paar tanden verloren en de cornet à

pistons was te lang op non-activiteit geweest.

Dat instrument, 't eenigste voorwerp wat niet in de jenever was

opgelost, moest nu weer voor den dag komen om "brood te blazen" voor hem

en zijn vrouw, "want," zei hij gemoedelijk, als hij niet in kennelijken

staat verkeerde:

"Je kan zoo'n sjepsel, kottorie! doch nich verhoengeren lassen. 's Ist

woll ein salamander von 'n wijf, maar sie hèbt doch ein maag, wissen

sie? Al hangt d'r eine vlerk d'r voor niemendal bij, sie shaff noch

zoo'n bischen, oend früher, als sie noch moneten hatte, war sie

schplendied. Daarom bin ich wieder in die koenst jegaan! Dan bekeek hij

met zijn waterige, zwakker wordende oogen zijn instrument, poetste met

zijn mouw den beker er van wat op, haalde een paar malen lucht heen en

weer door 't enkele mondstuk en blies dan, als om zich te oefenen, een

fanfare of een aantal schelle maten, die schetterend stuksloegen tegen

de brokkelige muren van het nauwe steegje en dan de gebarsten

vensterruitjes deden rinkelen, zoodat de buren nijdig hun hoofden uit de

lage deuren en vensters staken, elkander toeroepend: "daar begint die

sikkere muziekmof weer met z'n valsch getoeter!"

In het geheele buurtje stond hij bekend onder dien naam; zijn vrouw

heette: "de muziekmoffin." Hoe hun eigenlijke namen waren had men hun

nooit gevraagd; in zulke omgeving kent men elkander meestal alleen bij

den bijnaam, dien de een of ander spontaan uitdenkt.

Het bijvoeglijk naamwoord "sikker" dankte hij aan zijn voortdurenden

staat van geheele of gedeeltelijke onbekwaamheid en de

schoenlappersvrouw, die 't keldertje van 't hoekhuis bewoonde, getuigde

van hem: "Zoo'n model heb je nooit eerder gezien--mijn man is ook

dikkels in de olie--maar als ik met zoo'n vette vaatdoek permanent most

huizen liep ik liever vierkant de wal in." Toch mocht men hem soms wel

lijden, namelijk wanneer hij een goeie bui had en voor de kinderen in de

steeg een dansje blies.--"'t Is wel mankelieke muziek, maar de schapen

springen d'r nog 'ris bij, want orgels komen hier niet; de orgeldraaiers

binnen te veel granssinjeur en ze kennen met d'r orgels de steeg ook

niet in," beweerde een oppermansvrouw, die, op dezelfde trap wonend, de

muziekmoffin wel eens bezocht en daarom er bij voegde: "'t Is een kalf

van een vent als ie nuchter is, maar zijn vrouw is een nijdige vuilik,

een sloerie; geen blind paard doet schade in d'r lui kamer."

Een tijd lang verdiende de Oempah een schamel stukje brood, door 's

nachts in danshuizen of matrozenkroegen te spelen, maar ook dààr moet

men muzikanten hebben waarop men rekenen kan en dat kon men op hem niet.

Daarom vond hij ook zelfs in die gelegenheden geen plaats meer en begon

hij weer zijn zwerftochten door de straten der groote stad, totdat er

een stedelijke verordening kwam, die de straatmuzikanten buiten de veste

bande.--Toch waagde hij het nu en dan, door den nood gedrongen, zijn

cornet à piston te doen hooren. Kwam hij dan thuis, dikwijls zonder een

cent op zak, dan klaagde hij zijn nood aan de muziekmoffin:

"'s Ischt versjrikkelijk, die verfluchte polizei laat oens kein

oogenblik mit rust, 's wirdt ein beroerder boel hier! Die miserable

orjels, die moesiekmolens wo gar keine spoer von koenscht bei ischt,

werden tolerrirt oend wir, die doch moesik stoediert haben, werden

vervolgt; 's ischt sjande! Ach Kott, war dàs eine sjeene zeit als ich

frisch aus Bayern herüber kam,--überrall hab' ich mit orfolg

jeschpielt--aber hièr, pfoei!--Ich hatte nooit in Holland kommen

sollen!"

"En ik wou dat 'k jou nooit gezien had!" was de eenig troost, die hij

van haar kreeg en vinnig voegde zij erbij: "Och leg toch niet te

lammenteeren! Ruk liever weer op en ga blazen, we hebben geen krummel

meer in huis--en de flesch is ook leeg!"

Had de Oempah, door hier en daar, voornamelijk in de buitenwijken, te

spelen, wat klein geld opgehaald, dan--'t zij hem ter eere gezegd, had

hij de beste voornemens, en kocht "brot oend woerscht für 's

froumensch!" liet 't netjes inpakken en bracht een en ander ook

werkelijk thuis, wanneer hij de verleiding weerstond, om hier of daar

even in te wippen "oem ein paar auf die lampe zoe jiessen."

't Scheen wel alsof het noodlot hem telkens weer in de tapperijen der

buitenwijken voerde, want juist dáár voelde hij zich "gemüthlich"--dáár

was hij een gaarne geziene gast. Hij kon zoo aardig vertellen in zijn

gebroken Duitsch met Beiersch accent. Hoe hij bij "'s militair, bei der

cavallerie stand," hoe hij trompetter was geweest bij de Huzaren en hoe

hij later "durch talent oend verdienst erster pistonist" geworden was

bij 't muziekcorps.

Hij kende allerlei vroolijke soldatenliedjes en voor één borrel blies of

zong hij er met zijn schorre stem wel drie. De groenteboeren en venters,

die de kroegjes waar hij kwam bezochten, kenden den "leuken

blaasmof"--zoo heette hij dáár--allen en vermaakten zich met hem als hij

op de kentering van nuchterheid en kennelijken staat, allerlei dwaze

verhalen opsneed of op zijn cornet populaire deuntjes blies, totdat hem

de borrel werd geschonken, die den doorslag gaf. Dan kreeg hij een

oogenblik van mélancholie, smeet zijn instrument op of onder een stoel,

trok zijn ouden ronden hoed diep in de oogen en beweerde half grienend,

dat hij eigenlijk een "verdammter jemeiner schweinhoend war" en dat hij

gevoelde, dat aan hem een "groot kunstenaar" was verloren gegaan. Somber

voor zich uitstarend, 't geledigde glaasje in de hand, een afgekouwd

eindje--hij accepteerde ook graag een sigaar--tusschen de lippen, bromde

hij:

"I bin 'n verlor'ner mann, aber schlecht bin i niet!"--en aan dengeen

die 't hooren wilde, vertelde hij dan, dat hij altijd "ein lustiger,

tüchtiger, braver kerl" was geweest, dat zijn talent, zijn kunst in zijn

"Vaterland" genoeg bekend waren, maar dat hij nooit naar Holland had

moeten komen omdat hij, wanneer "dass verdammte Weib hem niet an der

verdammte Holländische sjenever had geholfen, bestimmt Musikdirector in

Baireuth war geworden."

Zijn droefgeestige bui duurde gewoonlijk niet lang.

Als niemand zich over zijn dorstige keel ontfermde, liep hij de straat

op, ging ergens staan blazen en keerde meestal terug in de kroeg,

grabbelend in zijn zak, waar hij dan zooveel vond, dat hij zuchtend

zeggen kon:--"Ich bin zoe misérabel--Hum!--'s ischt ein teufels trinken

der sjenever, der mensch jeht dabei zoe groende mit leib oend seel, dass

weiss er voraus--aber trinken moess er ihn doch! Sjenk mir in

Kottesnamen nog 'ris in!"

Met een huivering van genot dronk hij dan in één teug zijn glas uit,

smakte met de lippen, likte met 't puntje van zijn tong het laatste

druppeltje uit zijn knevelharen en schudde zich als een hond, die uit

het water komt, heesch brommend: "Hè, hè dass thoet wohl, noen hin ich

wieder ein mensch!"

De Oempah vergat gewoonlijk, zoodra hij "ein mensch" werd, zijn

dagelijksche ellende en werd weer grappig, zóó grappig zelfs, dat de

boeren en aakschippers zich slap lachten over den "blaasmof", die niet

alleen zulke vroolijke liedjes speelde, maar ook komieke boerendansen

kende, waarbij hij jodelnd zong en met de vingers knipte.

Maar al te dikwijls vergat hij echter ook in die oogenblikken de worst

en 't brood, die hij bij zich had, liet ze in de herberg liggen of

herinnerde zich later, als de borrels uitgewerkt hadden, dat hij alles

zelf had opgegeten, om niet zoo gauw "doezelich" te worden.

Dan wachtte de half lamme "muziekmoffin" te vergeefs op haar middagmaal

en wist de Oempah zich, zoodra hij haar onder de oogen kwam, niet beter

tegen haar rechtvaardige verwijten en aanvallen te beschermen, dan door

opnieuw de deur uit te gaan en er uit te blijven, totdat hij, zooals hij

't noemde: "Woerscht oend brot wieder herausgepustet hatte!"

* * * * *

In den laatsten tijd gaat het ellendig slecht met "die koenscht". Het

politietoezicht is overal verscherpt. Straatmuzikanten worden nergens

meer geduld en vooral op de Oempah's wordt steeds jacht gemaakt. Alleen

de orgels hebben nog het privilegie om de arbeidzame burgers, die zitten

te schrijven, te denken of te rekenen, razend te maken. De orgeldraaiers

lachen in hun vuistje en wijzen elkander met leedvermaak den enkelen

Oempah aan, die nog beproeft om aan het valkenoog der agenten te

ontsnappen.

Als een gejaagd hert zwerft hij door de straten en langs de

grachten--zijn instrument verbergend zoo goed hij kan.

Een blikslager heeft den beker voor hem #mobiel# gemaakt, zoodat

hij dien afzonderlijk in zijn broekzak verstoppen kan, want overal loert

op hem het verderf, uit elke straat of steeg, van iederen hoek der

gracht dreigt de sterke arm des gerechts en toch #moet# hij "voor

das fraumensch ergens in abendbrot zoesammenblasen."

Bij voorkeur kiest hij daartoe, tegen het vallen van den avond, een der

hoofdgrachten bij een straat en een brug; dan heeft hij altijd twee

wegen, twee kansen om zijn vijand te ontloopen.

Voorzichtig speurt hij rond, zijn mageren hals rekkend uit den

groezeligen boord van 't sporthemd.--Geen agent is op de gracht vóór hem

te ontdekken, achter hem evenmin. Ook de overkant is, zoover hij zien

kan, veilig.

Een paar passen terug gaande kijkt hij even de straat in, op de teenen

staande; hij is vrij lang en kan dus een eind ver het terrein verkennen.

Nergens dreigt gevaar--Wacht! nog even de brug op--ook in de andere

straat ziet hij niemand; hij zal 't dus maar wagen.

Haastig nu de gracht op; voor een groot heerenhuis, waar de gordijnen

der zijkamer nog open zijn, blijft hij staan. Er zitten dames voor de

vensters en daarom zet hij zich in postuur, één been vooruit, het

lichaam rechtop.

Terwijl hij nog even schichtig rondziet, haalt hij de cornet uit de

borstplooien van 't sporthemd, den beker uit zijn broekzak en voegt

beide stukken aaneen.

--Pfuut! pfuut! pfuut!--even door 't mondstuk geblazen, de pistons een

paar malen snel op en neer bewogen en hij is gereed.

Hij begint te spelen en uit zijn instrument klinkt als uit de zeere keel

van een versleten bariton, de sentimenteele melodie:

Ich kenn' ein Auge, das so mild....

Zijn hoofd draait links en rechts, zijn oogen puilen angstig uit,

terwijl hij verder blaast:

Und gläzend wie ein Sternenbild,

Hij ziet snel achterom, dan weer voor zich, liefelijk voortkweelend:

Voll Huld auf mich hernieder sieht,

Zijn gemoed wordt rustiger, want er komen allengs menschen en kinderen

om hem heen staan en die waarschuwen wél als er gevaar op til is; zijn

toon wordt smeltender als hij verder speelt:

Und mich hinauf zum Himmel zieht,

Dort prangt ein Stern so hell und rein--

Wie jenes Auges Sonnenschein."

"Baas speel d' ris wat lolligs--dit is zoo'n drensdeun!" roept een

jongen, maar een dienstmeisje, dat ook luistert, geeft hem een vinnigen

duw en snauwt: "Hou je mond, aap! 't is wat 'n mooi duis liedje."

"'t Is wat moois," lacht een kruier, "'t lijkt de overture van de

bedroefde hond wel."

"Kijk 'm z'n best doen!" giegelt een magere fabrieksmeid, "hij haalt 't

uit z'n toonen op--z'n oogen rollen haast z'n kop uit!"

De Oempah stoort zich niet aan de kritiek; hij raakt nu eerst goed op

dreef, zet den linkervoet nog een eind vooruit, gooit 't hoofd meer

achterover en slaat de oogen verrukt omhoog, want 't mooiste refrein

komt nu:

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 45 / 50 题