Wat is dat voor een boot, kelner? die daar van den kant van Mainz komt?"

"Dass ist der Lokaldampfer der nach Rüdesheim fährt!

"Naar Rüdesheim?

"Jawohl."

"Wie lange dauert die Fahrt?"

"Ungefähr anderthalb Stunde."

"Wat zou u er van denken," vraagt plotseling mijn reisgenoot, "indien we

eens naar Rüdesheim stoomden--'t moet heerlijk zijn op 't water--we

kunnen vanavond met 't spoor nog wel driemaal terug."

"Jongens meneer! we zitten hier zoo kalm en lekker."

"Ja maar op zoo'n boot is 't toch nog lekkerder, zoo midden op 't water,

daar bekomt men. Als u er niets tegen hebt dan zou ik wel willen."

"Met pleizier! ik ga mee...."

Vijf minuten later zitten we op den Lokaldampfer en stoomen stroomaf

naar Rüdesheim. 't Is vol op de stoomboot, tevergeefs zoeken we naar een

aangenaam plaatsje onder de zonnetent.

Rustig vervolgt zij haar weg, door het blauwe water. De raderen wentelen

onvermoeid voort en zweepen het schuim met kracht aan beide zijden

omhoog. Nu en dan steunt en dreunt de boot, die niet van de nieuwste

constructie schijnt, als viel het haar zwaar, bij de heete temperatuur,

die zelfs op 't water heerscht, haar plicht te doen.

Soms blaast de schoorsteen plotseling hoestend en proestend een zwarte

rookmassa uit, die over 't water blijft hangen en op onze gezichten

zwarte moesjes plakt, die door de zweetdruppels veranderen in plekken,

veel overeenkomst hebbend met inktvlakken.

De Rijn is buitengewoon kalm en rustig, en het eenige levensteeken dat

hij geeft is een lichte rimpeling van zijn oppervlak, als hinderde het

hem door het dampend en snuivend gevaarte te worden gestoord in zijn

zacht gekabbel.

Een bonte menigte passagiers zitten, liggen en hangen op de banken,

taboeretten en stoelen op het dek.

Allen zuchten, want niettegenstaande de boot vrij snel stroomafwaarts

snelt, brandt de zon geweldig en puffen allen van de warmte, terwijl ze

hun heil zoeken onder de zonnetent, de eenige plaats op het schip, waar

schaduw is.

't Is nu bepaald 32° warm, want we hebben de volle middagzon.

Alles transpireert aan boord; de kapitein, de passagiers, de stuurman

aan 't roer, de kelner die met zijn servet over den arm tusschen de

reizigers heen en weer draaft, ja zelfs de planken van het dek zweeten

een kleverige vloeistof uit haar naden.

Met innig medelijden zien wij de stokers aan, die beurtelings uit de

machinekamer opduiken om een mondje vol lucht te scheppen.

"'t Is of 't gezicht van die zwarte kerels iemand nog warmer maakt!"

zegt mijn reisgenoot.

"Bepaald, ik geloof zelfs dat zij hitte afstralen."

De kok kijkt met een gezicht als een pioen uit zijn kombuis. Zijn wit

buis is door en door vochtig, dat zien wij als hij ons den rug toedraait

om naar zijn pan met kalfscoteletten te zien.

Hoe is 't mogelijk om bij zulke hitte warme kalfscoteletten te

gebruiken, vraag ik mij zelf af, als ik zie dat de kok met onnavolgbare

snelheid de eene cotelet na de andere bakt, uit de pan pikt en met zijn

niet overzindelijken duim en wijsvinger op de schaaltjes rangschikt.

't Is om er wee van te worden. Wanneer men de oogen sluit en den

twijfelachtigen geur opsnuift, weet men waarlijk niet _wat_ men ruikt,

want door de temperatuurhitte en noodzakelijke verhooging van 10° door

de warmte van het fornuis, ruikt alles even vies, scherp en branderig.

Ik geloof haast dat de vettige lucht der ranzige olie, die gebruikt

wordt om de assen en krukken der machine te smeren en die uit het luik

der machinekamer tot ons komt, nog de voorkeur verdient.

Onder de zonnetent praat iedereen over de hitte.

De een blaast naar links, de ander naar rechts, onophoudelijk zijn de

zakdoeken en hoeden in de weer om koelte aan te brengen door er mee te

wuiven. Gelukkig zij, die een waaier heeft.

"Entsetzlich heiss!" roept een bejaarde dame.

"Kolossal, piramidal!" schettert een luitenantje.

"Unausstehlich, fürchterlich!"--zucht een jong meisje met een hoed à la

Kate Greenaway op--en beschut door het reuschachtige gevaarte, dat haar

lief jong gezichtje niet al te bevallig omgeeft--maakt ze ter sluiks een

knipoogje tegen een heer, die tegenover haar, met een monocle in 't oog,

onophoudelijk aan zijn scherpgepunte knevels draait.

Hij is "de Hij"--van die Zij.

't Is haast te warm om verliefd te zijn, maar wat vraagt Amor naar

graden Celsius of Réaumur of Fahrenheit.

Hoe warm het ook moge zijn, hoe zeer ook het kwik in den Thermometer

stijgt, toch zijn er op de boot twee wezens, wier harten een hooger

warmtegraad aanwijzen.

Bovendien, dat er op een Lokaldampfer met zulk een menigte passagiers

een Hij en een Zij gevonden worden, is niet meer dan natuurlijk.

En welk een Hij! Verrukkelijk gepomadeerd trotseert zijn glimmende

haardos hitte en zweetdroppels. Een heerlijke hyacintkleurige das

begrenst een schitterend wit boordje (ik geloof vast dat de man het pas

heeft aangedaan). Een prachtig wit vest waarop 't zwarte koordje van

zijn oogglas scherp afsteekt, strijdt èn door snit èn door fijnheid om

den voorrang met een lichtgrijs jacquet en een bijna hemelsblauwe

pantalon, die zijn beenen nauw omsluit.

Onafgebroken staart hij door het lorgnet zijn schoone aan; wel glijdt

het glas nu en dan uit zijn oog door de glibberigheid van zijn

huidplooien, maar telkens doet hij het instrument zijn plaats hernemen

en onvermoeid tuurt hij naar 't knipoogend meisje.

En zij!--Zij bloost van warmte en verliefdheid.

Haar teere vingertjes in glacé, gris-perle geperst, spelen met een

roosje, dat half bezwijmd aan den dunnen stengel hangt. Een licht grijs

kleedje omsluit haar wespentaille en doet haar verdere bekoorlijkheden

alle recht wedervaren. Naast haar dommelt een individu met een

kanariegele, veel te wijde pantalon en een lustren jasje aan, dat hem

als een zak om 't lijf hangt. Zijn stroohoed rust op zijn knieën en zijn

handen hangen slap langs zijn omvangrijk lichaam.

Dikke droppels parelen op zijn voorhoofd en zelfs zijn kale schedel is

als met een zachten dauw overtogen--terwijl langs zijn breeden, dikken,

rooden neus een dun waterstraaltje afloopt.

Plotseling laat de man zijn dikke onderlip zakken, zijn neusgaten worden

wijder en een geluid als 't zuchten van een nijlpaard doet de jonge

schoone opschrikken uit de mijmerende beschouwing van haar "hij".

Met een niet zeer lieve uitdrukking op haar gezicht stoot zij den naast

haar zittenden man aan met de woorden.

"Aber Papa!"

"Hé was ist?"

"Du scharchst ja!"

"So ja! 's ist auch so verdammt heiss."

"Aber Papa?"

Papa doet alle mogelijke moeite om wakker te blijven, maar de natuur

eischt haar recht, en trots alle "aber Papa's" van de jonge dame en de

min of meer spotachtige aanmerkingen van den monocledrager, dommelt de

brave man telkens weer in, tot dat we Rüdesheim naderen.

Ik haak naar het oogenblik, dat we zullen landen; mijn reiskameraad doet

niets dan blazen en zich 't gelaat afvegen. Als wij eindelijk den voet

op de loopplank zetten, zegt hij:

"'k Geloof dat we toch wijzer hadden gedaan, om kalm te Biebrich te

blijven; dat watertochtje is mij niets bevallen."

"'k Ben 't met u eens; we hadden 't daar goed, maar we haakten naar

beter."

De boot stoomt verder.

Wij zoeken in den tuin van 't hotel "Zum Rhein" een schaduwrijk plaatsje

aan den Rijnkant, drinken overheerlijk koelen Rüdesheimer en als 't

langzaam avond wordt, lachen wij om het denkbeeld dat wij bij 28° in de

schaduw, op een "Lokaldampfer" koelte zochten.

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 44 / 50 题