De Germanen trekken hun vesten uit--en bestellen nog meer bier.
"#Puff#!--ik geloof dat men van dat water nog warmer wordt.--'t Is
eigenlijk gekheid om bij deze temperatuur op den Neroberg te gaan
zitten.--Ik had wel lust om even naar Biebrich te sporen en dan dood
kalm en rustig aan den Rijn te gaan uitblazen. Gaat u meê"
"'t Is geen kwaad idée; heeft u een spoorboekje?"
Er gaat een trein om kwart voor twaalf. Dien kunnen wij nog best halen,
wanneer we nu dadelijk opstappen en de tram nemen van Beausite af."
"Komaan! dan vooruit!"
Wij betalen onze vertering en dalen langzaam den berg af.
Heerlijk schoon is het bosch ... maar warm, ontzettend warm. De
beukeboomen beschutten niet meer voor de zonnestralen, ze zijn er als 't
ware door verzadigd en geven nu op hun beurt weer een gedeelte der
opgenomen hitte af. Toch is 't niet zulk een benauwde warmte als onder
de veranda, want 't hout geurt en hier en daar op een open plek, komt de
fijne reuk van pas gemaaid hooi ons te gemoet.
Onder de veranda rook het naar uien.--Bah!--die eeuwige uien in
Duitschland zijn onverdragelijk--en vooral bij 28° in de schaduw is
Zwiebelgeruch verfoeielijk.
"'t Afdalen is ook niet verfrisschend, mijnheer."
"Ik weet waarachtig niet wat 't ergste is. 'k Ben _en nage_."
"Kijk! daar loopt een eekhoorn."
"Waar?"
"Over den weg--dáár! dáár! hij gaat tegen den dikken beukeboom op--'t is
heusch of het diertje 't meer op zijn gemak doet dan anders."
"'t Zal het ook warm hebben."
We volgen een oogenblik met de oogen den vluggen klimmer, die eindelijk
op een vooruitstekenden tak, hoog boven ons, met den staart omhoog
blijft zitten en ons met zijn kleine schrandere oogjes aankijkt alsof
hij zeggen wil:--"Ik lach jelui uit, ik zit hier lekker tusschen de
bladeren en ik heb 't lang niet zoo warm als je wel denkt."
't Is buitengewoon stil in het bosch, geen vogel tjilpt, het schijnt wel
alsof ze slapen, een enkele spreeuw vliegt even op tusschen het
kreupelhout, gaat een eindje verder weer zitten en pikt onbekommerd over
onze nabijheid in zijn vleugels.
Een oud moedertje met een ontzettend grooten bos dood rijshout op het
hoofd, kruist onzen weg, ziet ons, haar tandeloozen mond tot een
vriendelijken grijns vertrekkend, aan, strekt de magere hand uit en
vraagt: "Lieber Herr! schenken Sie mir etwas, bitte?"
"Groote Hemel, bij 28° hitte met een vracht hout op 't hoofd, 't is om
medelijden te hebben. Daar moedertje."
"Segne's Gott lieber Herr!"
In de verte hooren wij de schel van de tram.
We bereiken haar nog juist, en vinden, vóór bij den koetsier, een
plaatsje.
"Verkwikkelijk zoo'n ritje."
Heerlijk blaast ons de lichte wind, door 't voortrollend voertuig
geboren, in 't gelaat, maar och! die arme paarden, ze zijn eigenlijk
bruin van kleur, af neen! de eene is een vos, maar ze zien tot bijna
over de helft van hun lichaam zwart; zwart door de vochtigheid, die met
ongestemde kracht uit hun huidporiën dringt. De conducteur glimt als een
tomaatappel, als hij uit het binnenste van de tram komt om ons geld in
ontvangst te nemen.
Nu en dan schuift een der ongelukkigen, die binnen-in zitten, de deur
achter ons open, om in 's hemels naam een aasje verlichting te hebben,
maar telkenmale doet een hoestend, uitgedroogd, lederachtig mannetje de
deur weder dicht, met de opmerking, dat hij geen tocht verdragen kan, en
dat 't waarlijk niet zoo erg warm is.
Juist bijtijds bereiken wij het station, nemen kaartjes en stappen in de
2e klasse.
"Groote hemel, meneer! dat's positief niet uit te houden, dat's erger
dan een bakkersoven," roept mijn reismakker uit, als hij 't portier van
een "Nichtrauchercoupé" opent.
Geen wonder; de zon heeft met volle kracht op den stilstaanden wagen
geschenen en de warmte daarbinnen minstens met 8° of 10° verhoogd; 't is
alsof de hitte van een gloeiende kachel ons tegemoet komt.
"Ziet u wel meneer dat ik gelijk had om u te raden 3e klasse te nemen;
bij deze temperatuur is...."
"Einsteigen meine Herren!"
"Wir wollen lieber dritter Klasse fahren!"
"Alles besetzt, einsteigen bitte!"
In 's hemels naam dan. Wij stappen in, steken ieder ons hoofd uit een
der portieren, en rijden weg. We herademen, maar moeten onze hoofden
terugtrekken, omdat onze oogen niet tegen zooveel stof bestand zijn.
"Die Billette, gefälligst?"
Een Duitsch conducteur zal steevast bij 2e klasse passagiers
bovenstaande drie woorden gebruiken. Voor de 4e klasse bezigt hij alleen
het woord "_Billette?_" In de derde klasse hoort men van hem "_Die
Billette?_" terwijl hij bij 1e klasse passagiers vriendelijk vraagt:
"_Bitte gefälligst Billette vorzuzeigen?_" Bij hem staat het aantal
woorden dat hij gebruikt steeds in omgekeerde rede tot het No. der
klasse waar hij zich bevindt.
Eindelijk zijn wij te Biebrich. Heerlijk, verkwikkend kabbelt de Rijn;
verrukkelijk tintelt de zon in het water. Gartenwithschaft van 't Hotel
"Zur Krone" vinden we een koel plekje.
't Is toch nog warmer geworden, want de zon staat in 't zenith, maar de
koelte van 't water reageert tegen de zonnestralen. Mainz ligt links van
ons, als in een lichten nevel gehuld. Het is alsof de lucht trilt van de
hitte. De groene bergen aan weerzijden van den oever verkwikken ons oog.
Wij herleven.
We moeten iets gebruiken, want de kellner nadert en vraagt beleefd:
"Sie wünschen?"
Wij nemen koffie--heete koffie!--'t is homéopatisch; waarlijk de koffie
maakt ons niet warmer. Een paar kleine bengels van 10 of 12 jaar gaan
vlak voor ons op hun hoofd staan en loopen op hun handen heen en weer,
terwijl ze de naakte voeten omhoog steken.
Daar krijgen we het beiden bepaald benauwd van--verbeeld u eens, in de
middaghitte van een dag, die 's morgens om halfelf reeds 28° in de
schaduw had, op 't hoofd te staan; 't is om er een beroerte van te
krijgen, alleen door het te zien.
We werpen hun wat geld toe en de jeugdige acrobaten verdwijnen, om
elders weer te beginnen.