EEN WARME DAG TE WIESBADEN.

_Reisherinnering_.

Half elf 's morgens: de Thermometer wijst 28° in de schaduw.

Ik zit amechtig op een stoel voor de Restauratie op den Neroberg. Mijn

hoed weent innerlijk tranen van medelijden over mijn dwaasheid om bij

een dergelijke temperatuur dien berg te beklimmen. Mijn voorhoofd

glinstert als ware het met diamanten bezet, mijn zakdoek wischt ze weg,

te vergeefs; de zon doet telkens nieuwe ontstaan.

Daar nadert iemand, ik herken hem, 't is een kurgast evenals ik. Zijn

hoed houdt hij in de eene, zijn zakdoek in de andere hand; beurtelings

wijft hij zich koelte toe en droogt zich voorhoofd, slapen en hals.

Hijgend en blazend knikt hij mij toe en neemt, ademloos tegenover mij,

op een stoel plaats. Eindelijk puft hij:

"Benauwd warm vandaag, meneer! 28° in de schaduw, 't zal in de zon wel

32° wezen--neen! zoo'n hitte geef ik present; met zulk weer is 't in

Wiesbaden niet uit te houden--dan is 't hier precies een ketel, een

braadpan...."

"De mensch is toch nooit tevreden; verleden week, toen we elkaâr

toevallig aan tafel ontmoetten, pruttelden wij om 't hardst over den

regen."

"O! maar toen was 't óók niet om uit te houden; zoo'n regenachtige dag

hier, is om dood melankoliek te worden, dan nog liever 28° in de

schaduw. U is zeker ook hier gekomen om lucht te zoeken?"

"'t Was mij te warm in mijn kamer, ze ligt vlak tegenover den

Kochbrunnen en heeft den geheelen dag zon...."

"Een lief plekje hier op den Neroberg, prachtig uitzicht."

"Heerlijk! 'k heb 't al wel twintigmaal gezien, maar telkens ga ik er

weer naar toe.--Zouden we niet wat verder gaan zitten? 't Wordt hier al

weer te zonnig onder de veranda; in de schaduw is het beter...."

"Laten we dan gaan verzitten, mijnheer!"

"Best.--Kellnèr!--'t Is hier onder de veranda waarlijk nog benauwder, 't

schijnt wel alsof de hitte hier nog meer hangen blijft.--Kellnèr!--Wat

zijn die kellners lui vandaag."

"'t Is ook zoo warm, moet u denken--je kunt het die menschen haast niet

kwalijk nemen.--Ah! daar komt er een.--allemachtig wat transpireert die

vent!"

"Sie wünschen?"

"Bringen Sie mir eine halbe Rauenthaler...."

"Goeie hemel, drinkt u Rijnwijn bij die hitte?"

"Waarom niet?..."

"Rijnwijn maakt zoo warm.--Bier is veel beter...."

"Bier? Wie viel, zwei Glas?"

"Bier neen! daar wordt je eerst recht benauwd en opgezet van...."

"Eigenlijk heeft u gelijk. Haben Sie Selterswasser?"

"Gewiss! künstliches und echtes."

"Bringen Sie mir eine Flasche Selters, echtes, aber recht kalt."

"Mir auch! und etwas Eis dazu."

"Schön--"

"In einem kühlen Grunde

Da geht ein Mühlenrad,

Mein Liebchen ist verschwunden

Dass dort gewohnet hat"

zingt uit de verte een frissche heldere stem.

"Hoe is 't mogelijk dat iemand bij zoo'n hitte van "einem kühlen Grunde"

kan zingen--'t klinkt als een parodie op de 28°."

Met zijn jas over zijn stok, zijn stroohoed aan het élastiekje over den

anderen schouder hangend, nadert de jeugdige zanger, gevolgd door twee

andere blonde Duitschers. Hun vesten hangen open en de veelkleurige

bretels zijn zichtbaar. De drie gezichten glimmen en van een hunner, een

dikkert, die bepaalt 90 kilo weegt, zweemt de gelaatskleur naar 't

violet.

"Bier her!--Bier her! Oder ich fall um--" hijgt de zanger, terwijl hij,

niet ver van ons, met zijn makkers plaats neemt.

De kellner brengt ons Selters water.

"Wünschen Sie auch etwas zu speisen?"

"Eten, bij die hitte?" ik zie mijn vis-à-vis aan; hij mij.

"Eten?--ik stik als 'k er aan denk."

"Geef me water.--Hé! dat smaakt--dat is lafenis!"

Nu krijgt ook het drietal bier en in één teug ledigen zij de glazen,

terwijl zij met de lippen smakkend eenparig uitroepen: "Bringen Sie

gleich noch drei Gläser."

"Und etwas Göttinger Wurst dazu?" roept de dikkert den kellner na.

Goeie Hemel, worst bij zoo'n hitte; ... de gedachte aan worst maakt me

onwel. Dat Selterwater is overheerlijk.

"Drink niet te snel mijnheer. 't Water is ijskoud."

"Heerlijk!" hij smakt met de lippen--"verrukkelijk!"

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 42 / 50 题